HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246
Medeplegen oplichting van een bank; geen opzet op oplichting bij medeverdachte. 1. De opvatting dat de enkele omstandigheid dat medeverdachte X in zijn zaak is vrijgesproken van het ook aan hem tenlastegelegde medeplegen van oplichting, uitsluit dat in verdachtes zaak medeplegen van dat misdrijf bewezen wordt verklaard, vindt geen steun in het recht. Het hangt af van de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal in verdachtes zaak of en zo ja welk tenlastegelegd feit bewezen kan worden verklaard. 2. Onjuist is ’s hofs opvatting dat ingeval is tenlastegelegd dat verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan oplichting, de omstandigheid dat die ander niet strafbaar is omdat bij hem het vereiste opzet heeft ontbroken, niet in de weg staat aan het oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van dat misdrijf. Voor medeplegen ex art. 47.1.1 Sr van een strafbaar feit is vereist dat twee personen bewust samenwerken met het oog op het verrichten van een strafbare gedraging. Voor medeplegen is i.c. nodig de bewuste samenwerking van beiden gericht op het begaan van de tenlastegelegde oplichting. Nu oplichting slechts strafbaar is indien het vereiste opzet aanwezig is, leidt het ontbreken van dat opzet bij een van beiden ertoe dat niet gesproken kan worden van bewuste samenwerking op het opzettelijk begaan van de oplichting. 3. Opmerking verdient dat art. 326 Sr vervolging en bestraffing mogelijk maakt van indirecte, d.m.v. of m.b.v. een niet-strafbare (tussen)persoon alleen gepleegde oplichting (HR NJ 1969, 70).
De uitspraak op rechtspraak.nl