HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1454
Oplichting (meermalen gepleegd) door via “onzinverhalen” tegenover kwetsbare oudere dame andere personen uit haar kennissenkring te bewegen tot afgeven van geldbedragen t.g.v. verdachte, art. 326 Sr. Voor oplichting ex art. 326.1 Sr is vereist dat iemand door oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot in die bepaling bedoelde handelingen. Niet vereist is dat oplichtingsmiddel rechtstreeks wordt aangewend jegens degene die wordt bewogen tot desbetreffende handelingen. Oplichting kan ook geschieden door tegenover (niet-strafbare) tussenpersoon oplichtingsmiddel aan te wenden, mits verdachte daarbij heeft gehandeld met in art. 326 Sr bedoeld oogmerk (vgl. HR NJ 1923, p. 20 en ECLI:NL:HR:2005:AU2246). Voor vervulling van daarvoor vereist oogmerk is voorwaardelijk opzet niet toereikend (ECLI:NL:HR:1983:AC8152). Bewezenverklaringen, v.zv. inhoudende dat verdachte zich telkens schuldig heeft gemaakt aan oplichting van personen A t/ I, kunnen niet z.m. worden afgeleid uit ’s Hofs bewijsvoering. Hof heeft omtrent het oogmerk van verdachte niet meer overwogen dan dat hij “op zijn minst de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld”. Daarnaast heeft Hof onvoldoende feiten en omstandigheden vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die rechtstreeks of indirect door in bewezenverklaringen vermelde oplichtingshandelingen daarin genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl