HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7294
Ontnemingszaak. Voorzover het middel ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, enkel heeft gegrond op de omstandigheid dat betrokkene eigenaar en grootaandeelhouder is van de rechtspersonen B en C, berust het op een onjuiste lezing van ‘s hofs uitspraak. Het hof heeft onderzocht of betrokkene zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen uit de strafbare feiten die zijn gepleegd door de criminele organisatie, waarvan hij bestuurder was en die verder bestond uit evengenoemde rechtspersonen en enkele natuurlijke personen. ’s Hofs feitelijke oordeel dat aannemelijk is geworden dat zulks het geval is, is niet onbegrijpelijk.