HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262

Belediging kroonprins en zijn echtgenote en beschadiging/onbruikbaarmaking kledingstukken omstanders door zakje met verf naar gouden koets te gooien. 1. Op de in art. 111 en 112 Sr strafbaar gestelde misdrijven zijn van toepassing de in Titel XVI van Boek II Sr onderscheiden wijzen waarop de aldaar strafbaar gestelde vormen van belediging kunnen worden aangedaan. De extra bescherming tegen belediging van de in art. 111 en 112 Sr bedoelde personen wordt tot uitdrukking gebracht door het vervallen van het klachtvereiste, de hogere strafbedreiging en doordat de in Titel XVI van Boek II Sr omschreven strafuitsluitingsgronden op de onderhavige delicten niet van toepassing zijn. Voor het overige zijn de in art. 266 Sr gemaakte onderscheidingen hier van toepassing. 2. Het handelen van verdachte valt niet onder de bescherming van art. 10 EVRM. Een gedraging, ook al is die gestoeld op een bepaalde overtuiging, kan immers niet worden aangemerkt als een door genoemde verdragsbepaling te beschermen meningsuiting, indien niet kenbaar is dat de gedraging moet worden begrepen als een deelname aan enig debat over het onderwerp waarop die overtuiging ziet. 3. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de beschadiging en of onbruikbaarmaking van de kleding het resultaat is geweest van het gooien van de verfbom door verdachte. Voorzover het middel berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige de bewezenverklaring de causale keten van gebeurtenissen tussen het handelen van verdachte en het uiteindelijke gevolg moet vermelden, stelt het middel een eis die het recht niet kent.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen