HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5714

Deventer moordzaak. 1. Nadere specificering van de bewezenverklaring na verwijzing door HR in herzieningsprocedure. 2. Toetsingsruimte feitenrechter na verwijzing door HR in herzieningsprocedure. 3. Voorbedachte raad. Ad 1. Het hof heeft de bewezenverklaring op twee punten nader gespecificeerd in vergelijking met de bewezenverklaring vóór de herziening. Art. 467.1 en 474.2 Sv noch het karakter van de herzieningsregeling staan daaraan in de weg. Ad 2. De opvatting dat een rechter bij zijn onderzoek in herziening na verwijzing door de HR gebonden is aan de gronden die tot herziening hebben geleid, is onjuist. De rechter in herziening dient de zaak met inachtneming van art. 467.1 Sv opnieuw geheel te onderzoeken. I.c. heeft de HR de herzieningsaanvrage zonder enige beperking gegrond verklaard. Dientengevolge heeft het hof terecht ex art. 474 Sv een onderzoek ingesteld naar alle omstandigheden die van belang zijn voor het oordeel over de feiten die in de inleidende dagvaarding zijn opgenomen (HR NJ 2001, 17). Het hof was dus in het geheel niet gebonden aan het “novum” dat grond opleverde voor verwijzing door de HR. Het staat de in herziening oordelende rechter vrij al het relevante bewijsmateriaal, ongeacht of dit ten voordele of ten nadele van de verdachte strekt, in zijn onderzoek te betrekken en aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, inclusief nieuw bewijsmateriaal. Daaraan doet niet af dat nieuw bewijsmateriaal t.t.v. de berechting vóór herziening nog niet bekend was, en evenmin dat dit bewijsmateriaal aldus maar eenmaal ten gronde is beoordeeld. Ad 3. Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven (HR LJN AE1743). ’s Hofs vastelling dat verdachte voorafgaand aan en gedurende zijn gewelddadige handelingen tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, waarbij hij zich ofwel tevoren ofwel tijdens de uitvoering van die handelingen van een mes heeft voorzien, is niet onbegrijpelijk. Het hof kon oordelen dat de levensberoving door verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. ’s Hofs oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen