HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP8469
Vuurwerkramp Enschede. 1. HR leest de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 4 (toegesneden op art. 158.3 (oud) Sr) aldus verbeterd dat deze uitsluitend ziet op feitelijke leiding geven, nu de bewijsmiddelen niets inhouden omtrent het opdracht geven aan de bedoelde feiten. Een keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' is van geen belang voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. 2. Het hof heeft zonder miskenning van het begrip 'schuld' in de zin van art. 158 (oud) Sr uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het geheel van handelen en nalaten van beide verdachten getuigde van de bewezenverklaarde aanmerkelijke onvoorzichtigheid en nalatigheid en dus van schuld in de bedoelde zin van het bedrijf van verdachten. 3. 's Hofs afwijzing van het verzoek om een tegenonderzoek (betreffende vuurwerkclassificatietesten) is onjuist noch onbegrijpelijk. De opvatting dat een verzoek tot tegenonderzoek altijd moet worden toegewezen indien het tijdig en uitdrukkelijk is gedaan en zulk onderzoek nog mogelijk is, is in haar algemeenheid onjuist. 4. 's Hofs oordeel dat de brief van het OM, welke brief ten doel had het verstrekken van voorlichting aan alle betrokkenen bij de vuurwerkramp en o.m. inhield dat verdachte terecht zou staan i.v.m. de verdenking van het (opzettelijk) overtreden van milieuvoorschriften, geen toezegging aan verdachte bevat dat hij door het OM niet zou worden vervolgd t.z.v. art. 158 Sr en dat de inhoud van die brief niet van dien aard is dat verdachte daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij t.z.v art. 158 Sr niet zou worden vervolgd, is onjuist noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl