HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3171
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
Nr. 37.071
24 mei 2002
JV
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 maart 2001, nr. 97/20873, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 6.101.161, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3 Beoordeling van het middel
Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt in drie gevallen uitzondering, te weten 1. indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen, 2. indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar, en 3. ingeval - kortgezegd - de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de uitlener reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald.
De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat geen van deze situaties zich voordoet. Ook indien, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, sommige van haar facturen aan B GmbH 15 tot 20 maanden hebben opengestaan, rechtvaardigt dat niet de conclusie dat het aldus door belanghebbende verleende leverancierskrediet tot één der hiervoor bedoelde uitzonderingsgevallen kan worden gerekend. Het middel kan dan ook, wat er zij van de door het Hof voor zijn uitspraak gegeven motivering, niet tot cassatie leiden.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2002.
Aangehaald in
- HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442
- Conclusie A-G Wattel 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:102
- Conclusie A-G Wattel 17 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1198
- Conclusie A-G Pauwels 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733
- Conclusie A-G Koopman 11 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1055
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2735
- Rb. Noord-Nederland 12 februari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:791
- Conclusie A-G Koopman 11 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1056
- Conclusie A-G WATTEL 9 januari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ0216
- Conclusie A-G -WATTEL 15 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BW6552
- Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10579
- Rb. Noord-Holland 15 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:1054
- Rb. Gelderland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:300
- Rb. Den Haag 13 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13700
- Rb. Arnhem 4 oktober 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX8772
- Conclusie A-G Wattel 19 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:739
- Conclusie A-G Niessen 17 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:819
- Conclusie A-G Niessen 8 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:355
- Conclusie A-G NIESSEN 1 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BX4018
- Hof Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:350