HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1186

(Poging tot) diefstal d.m.v. braak (art. 311.1 Sr) en diefstal met geweld d.m.v. braak (art. 312.2 Sr). 1. Aanwezigheidsrecht in hoger beroep. Kan in appelakte vermeld adres worden aangemerkt als achterhaald, nu na instellen van h.b. briefadres is ingeschreven in GBA? 2. Geen afschrift dagvaarding in eerste aanleg verzonden naar in e.a. toegevoegde raadsman van verdachte, art. 48 Sv. 3. Toevoeging raadsman in h.b., art. 41.1.b Sv. Ad 1. Dagvaarding in h.b. is na vergeefse aanbieding op GBA-adres uitgereikt aan griffier Rb, waarbij is voldaan aan 5-dagentermijn, en vervolgens verzonden naar GBA-adres, terwijl appelakte ander adres vermeldt. Nu inschrijving van briefadres in GBA heeft plaatsgevonden na instellen van h.b. heeft hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in appelakte vermeld adres als achterhaald kon worden beschouwd. Bij die stand van zaken was hof dan ook niet gehouden er blijk van te geven te hebben onderzocht of er reden was om onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog bij onderzoek ttz. aanwezig te zijn. Beroep op HR NJ 1997/279 is tevergeefs. Omstandigheid dat aangifte van briefadres buiten medeweten van verdachte en zonder diens toestemming is geschied door ander en dus kennelijk op wijze voorzien in art. 67.1 jo. 74.1.1.d Wet GBA, te weten door hoofd van instelling voor gezondheidszorg, kan daaraan niet afdoen. Ad. 2. Blijkens last tot toevoeging aan Raad voor rechtsbijstand heeft voorzitter Rb m.b.t. diefstal met geweld d.m.v. braak o.g.v. art. 41 Sv toevoeging van raadsman aan verdachte gelast. Ex art. 43.1 Sv gold toevoeging van raadsman voor gehele aanleg, zodat overeenkomstig art. 51 (tweede volzin) Sv aan raadsman een afschrift van inleidende dagvaarding had dienen te worden toegezonden. Aan HR toegezonden stukken houden echter niets in waaruit kan volgen dat dit is geschied. Verdachte is in e.a. bij verstek veroordeeld, terwijl er in cassatie van moet worden uitgegaan dat raadsman ttz. in e.a. niet is verschenen. Hieruit vloeit rechtstreeks mogelijkheid voort dat t.a.v. inleidende dagvaarding het voorschrift van art. 51 (tweede volzin) Sv niet is nageleefd. Dit in belang van verdachte geven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in wet bepaald, niet-nakoming ervan geacht moet worden aan geldige behandeling van zaak ttz. buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman in de weg te staan, behoudens geval dat door rechter voor wie zaak is aangebracht in redelijkheid kan worden aangenomen dat verdachte er geen prijs op heeft gesteld hetzij ttz. te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid zijn raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. Een goede procesorde brengt voorts mee dat wanneer reden bestaat tot twijfel omtrent nageleefd zijn van dit voorschrift, rechter (alvorens onderzoek ttz. voort te zetten nadat zaak is uitgeroepen) zich ervan vergewist dat hetzij dit voorschrift is nageleefd hetzij één van uitzonderingsgevallen zich voordoet. Nu uit stukken van geding het tegendeel niet kan volgen moet het er in cassatie voor worden gehouden dat Pr dit heeft nagelaten. Tegen achtergrond van art. 423.2 Sv en HR NJ 1996/557 zal HR zaak om doelmatigheidsredenen verwijzen naar Pr. Ad 3. Opvatting dat instellen van rechtsmiddel door daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman dient te worden aangemerkt als kennisgeving a.b.i. art. 39.1 Sv, is onjuist. Ex art. 41.1.b Sv wordt aan verdachte die geen raadsman heeft, door bureau rechtsbijstandsvoorziening een raadsman toegevoegd wanneer h.b. is ingesteld tegen eindvonnis in e.a. en het zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op ambtshalve last van voorzitter hof. Bij stukken van geding bevindt zich verleend bevel tot bewaring van verdachte onder meer t.z.v. diefstal met geweld d.m.v. braak. Uit stukken van geding blijkt niet dat in h.b. een advocaat zich als raadsman heeft gesteld en evenmin dat ambtshalve toevoeging als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor gehouden moet worden dat verdachte in h.b. geen raadsman heeft gehad. Het in belang van verdachte gegeven voorschrift van art. 41.1.b Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in wet bepaald, niet-nakoming daarvan geacht moet worden aan geldige behandeling van zaak ttz. in de weg te staan. Volgt vernietiging en verwijzing naar Pr. CAG (strekking): vernietiging en verwijzing naar hof.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen