HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495

OM-cassatie. Snelheidsovertreding, art. 21.a RVV 1990. Ontvankelijkheid hoger beroep t.a.v. afzonderlijke beslissingen Kantonrechter op vorderingen tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordelingen, art. 14j Sr en art. 361a Sv. Rb heeft OvJ n-o verklaard in zijn h.b. tegen afwijzende beslissingen inzake vorderingen tul, nu deze beslissingen geen deel uitmaken van vonnis Ktr en dergelijke afzonderlijke beslissingen ex art. 14j Sr niet aan enig rechtsmiddel zijn onderworpen. Ktr heeft in strijd met art. 361a Sv zijn beslissingen op ingediende vorderingen tul niet in vonnis opgenomen. Ook indien art. 361a Sv ten onrechte niet is toegepast, staat gelet op art. 14j.1 Sr tegen zodanige beslissing h.b. open. Andersluidend oordeel Rb is derhalve onjuist. Omdat daarover in middel van OvJ niet wordt geklaagd, leidt dit niet tot cassatie. Voorts ligt in uitspraak Rb besloten haar oordeel dat verdachte geen beroep heeft ingesteld tegen de door Ktr afzonderlijk gegeven beslissingen op vorderingen tul, bij welke beslissingen die vorderingen zijn afgewezen. Ook dat oordeel is in cassatie niet bestreden. Oordelen Rb moeten dus in cassatie worden geëerbiedigd. Dat brengt mee dat vorderingen tul niet aan oordeel Rb waren onderworpen, zodat zij daarover ten onrechte heeft beraadslaagd en beslist. Ook daarover wordt niet geklaagd. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen