HR 2 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB8028

Medeplegen invoer hasj door auto te huren voor verder vervoer van hoeveelheden van dat middel binnen Nederland, art. 11.4 Opiumwet. 1. Beroep op overschrijding redelijke termijn in h.b. 2. Bewijsklacht binnen grondgebied van Nederland brengen. Is term “handeling” a.b.i. art. 1.4 Opiumwet beperkt tot handelingen die zijn verricht nadat in Opiumwet genoemde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht? Ad 1. Hof is van oordeel dat tussen vonnis Rb (11-5-1989) en behandeling in h.b. (25-3-1991) meer tijd is verstreken dan wenselijk is te achten, doch acht die termijn niet onredelijk lang a.b.i. art. 6 EVRM. Mede in aanmerking genomen dat verdachte op 1-1-1988 in verzekering is gesteld, op welk tijdstip termijn in art. 6.1 EVRM bedoeld aanvang nam en dat op 11-5-1989 h.b. is ingesteld, is ’s Hofs beslissing niet onbegrijpelijk. Zij kan als van overwegend feitelijke aard in cassatie niet verder worden getoetst. Het in schriftuur gestelde (als bijzondere omstandigheid dient te gelden dat verdachte door voormelde vertraging langer dan noodzakelijk loopt in proeftijd die als bijzondere voorwaarde is verbonden aan opgelegde voorwaardelijke straf) doet hieraan niet af, te minder nu Hof bij motivering van strafoplegging met tijdsverloop rekening heeft gehouden. Ad 2. Hof heeft uit vaststellingen o.b.v. gebezigde b.m. zonder miskenning van art. 1.4 Opiumwet kunnen afleiden dat verdachte auto heeft gehuurd voor verder vervoer van hasj binnen Nederland. In deze wetsbepaling voorkomende term ‘’handeling’’ heeft niet slechts betrekking op handelingen verricht nadat in Opiumwet bedoelde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen