HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7440
Executieuitlevering t.z.v. 2 aanslagen en vervolgingsuitlevering t.z.v. gewelddadige uitbraak uit gevangenis door IRA-leden o.b.v. Uitleveringsverdrag Nederland en Verenigd Koninkrijk naar Verenigd Koninkrijk. Feitelijke behandeling door HR. 1. Executieuitlevering t.z.v. teweegbrengen van ontploffing. 2. Vervolgingsuitlevering t.z.v. ‘assault and unlawfully and injuriously imprisonment’. 3. Vervolgingsuitlevering t.z.v. vuurwapenbezit. 4. Vervolgingsuitlevering t.z.v. levensdelicten. Toereikend bewijs. 5. Vervolgingsuitlevering t.z.v. poging tot moord, zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Beroep op politiek karakter van delicten. 6. Beroep op art. 3 EVRM en art. 6 EVRM. 7. Afgifte van inbeslaggenomen voorwerpen. Ad 1. Teweegbrengen van ontploffing en samenzweren daartoe zijn geen misdrijven genoemd in art. II.1 Verdrag. Ingevolge laatste lid van art. II Verdrag jo. art. 5.1 en 5.2 Uitleveringswet kan t.z.v. samenzweren tot teweegbrengen van ontploffing evenmin uitlevering worden toegestaan. Ad 2. Ingevolge art. II.1 en voorlaatste lid van art. II Verdrag jo. art. 5.1.a Uitleveringswet kan uitlevering worden toegestaan t.z.v. feiten, waarvoor naar Nederlands recht krachtens art. 289, 289 jo. 45, 300 dan wel 302 dan wel 181 jo. 180 Sr telkens vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd. Dit geldt niet t.a.v. het van die feiten telkens deel uitmakende onderdeel ‘’assaulted’’. In art. II.1 Verdrag is onder 3 genoemd ‘’Assault occasioning actual bodily harm’’. Bij feiten ter zake waarvan uitlevering is verzocht is evenwel niet omschreven dat aan de in Verdrag gestelde eis ‘’occasioning actual bodily harm’’ is voldaan. V.zv. laatste lid van art. II Verdrag hier toepassing mocht kunnen vinden, kan ter zake geen uitlevering plaatsvinden omdat omtrent ‘’assault’’ in overgelegde rechtsvoorschriften niets is vermeld. Ad 3. Feiten worden niet genoemd in art. II.1 Verdrag, terwijl ter zake hiervan naar Nederlands recht niet vrijheidsstraf van een jaar of langere duur kan worden opgelegd, zodat ter zake daarvan uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard. Ad 4. Toereikend bewijs conform art. 13 Verdrag van poging tot moord en zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, mede gelet op de ter zitting van Rb afgelegde deskundigenverklaring omtrent deelneming naar Engels recht. Ontoereikend bewijs van overige delicten ondanks deskundigenverklaring. Ad 5. Poging tot moord, zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving zijn geen misdrijven die staatkundig karakter dragen conform art. 6 Verdrag. Er is geen sprake van absolute politieke delicten, omdat feiten in een te ver verwijderd verband staan tot het door opgeëiste persoon vermelde doel. Niet aannemelijk is geworden dat ‘’special category status’’, die door autoriteiten van Verenigd Koninkrijk aan groep gevangenen waartoe opgeëiste persoon behoorde is verleend, de erkenning inhield dat deze status meebracht dat geen uitlevering zou kunnen plaatsvinden omdat feiten, waarvoor deze gevraagd is, staatkundig karakter in de zin van art. VI Verdrag dragen. Ad 6. Het staat uitleveringsrechter niet vrij op klachten over onmenselijke en vernederende behandeling conform art. 3 EVRM of fair hearing conform art. 6.1 EVRM te beslissen, nu Engeland is toegetreden tot EVRM en individueel klachtrecht conform artikel 25 EVRM heeft erkend. Ad 7. V.zv. niet aannemelijk is geworden dat inbeslaggenomen voorwerpen door misdrijf zijn verkregen of tot bewijs van misdrijven waarvoor uitlevering is gevraagd kunnen dienen, is afgifte ontoelaatbaar. Volgt gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van uitlevering en gedeeltelijke afgifte van inbeslaggenomen voorwerpen. Vervolg op HR:1986:AD7438. Samenhang met HR:1986:AD7441 en HR:1986:AJ5302.
De uitspraak op rechtspraak.nl