HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1195
Vervolgingsuitlevering o.b.v. Uitleveringsverdrag Nederland en Verenigd Koninkrijk van opgeëiste persoon (Britse nationaliteit) naar Bermuda Eilanden t.z.v. oplichting, witwassen en verstrekken van misleidende informatie aan monetaire autoriteit van Bermuda. 1. Genoegzaamheid stukken, art. 18 Uitleveringswet en art. XII Verdrag. Voldoen overgelegde bewijsstukken aan vereisten van art. XII Verdrag en art. 18 Uitleveringswet, nu deze uitsluitend digitaal zijn verstrekt en niet zijn gewaarmerkt? 2. Toestemming om uitlevering toe te staan t.a.v. witwassen en verstrekken van misleidende informatie aan monetaire autoriteit van Bermuda, voorwaarde ex art. II Verdrag. Is voldaan aan vereisten van art. II vierde alinea Verdrag, inhoudende dat toestemming kon worden verleend voor uitlevering overeenkomstig wetten ‘op dat tijdstip van kracht’? 3. Strafbaarheid naar Nederlands recht. Kunnen feiten naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als overtreding van art. 1:74 Wft? Ad 1. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat de door autoriteiten van verzoekende Staat overgelegde bewijsstukken voldoen aan vereisten van art. XII Verdrag en art. 18 Uitleveringswet. Mede gelet op tekst van die bepalingen getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is in het licht van inhoud van de bij uitleveringsverzoek overgelegde beëdigde verklaring van OvJ ook niet onbegrijpelijk. Ad 2. Bij beoordeling van toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering moet worden uitgegaan van stand van het recht t.t.v. beslissing op uitleveringsverzoek (vgl. HR:2003:AH8601). Opvatting dat art. II vierde alinea Verdrag met zich brengt dat (in afwijking van hiervoor genoemd uitgangspunt) uitlevering voor feiten die niet in eerste alinea van art. II Verdrag zijn opgesomd, uitsluitend is toegelaten als uitlevering een feit betreft dat niet alleen t.t.v. beslissing op uitleveringsverzoek strafbaar is maar ook al in 1898 (jaar van totstandkoming van Verdrag) strafbaar was in zowel verzoekende als aangezochte Staat, is mede gelet op tekst van art. II Verdrag onjuist. Beroep op o.m. HR:1986:AD7440 miskent dat het in betreffende zaken ging om vraag of Verdrag een grondslag kon bieden voor uitlevering van opgeëiste persoon naar Verenigd Koninkrijk voor opzettelijk teweegbrengen van ontploffing. HR heeft in die rechtspraak geoordeeld dat art. II vierde alinea Verdrag geen grondslag biedt voor uitlevering specifiek voor dat feit. Die belemmering vloeit niet voort uit tekst van art. II Verdrag maar uit totstandkomingsgeschiedenis van Verdrag in relatie tot zogenoemde ‘dynamietmisdrijven’. I.c. gaat het om vraag of uitlevering van opgeëiste persoon naar Bermuda Eilanden voor witwassen en verstrekken van misleidende informatie aan monetaire autoriteit van Bermuda Eilanden o.b.v. dit Verdrag toelaatbaar kan worden verklaard. Voor die feiten geldt niet belemmering voor uitlevering zoals hiervoor bedoeld. Ad 3. Rb heeft geoordeeld dat feiten 3, 4 en 5 waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, naar Nederlands recht telkens opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld bij of krachtens art. 1:74.1 Wft (strafbaar gesteld bij art. 1, 2 en 6 WED) opleveren. Het is o.g.v. art. 1:74.1 Wft echter uitsluitend verboden verplichting tot verstrekken van door toezichthouder gevorderde inlichtingen niet na te komen. Feiten 3, 4 en 5 leveren, gelet op wijze waarop feiten waarvoor uitlevering is verzocht in beëdigde verklaring van OvJ en art. 33.1 Bermuda Monetary Authority Act 1969 zijn omschreven en waarin opgeëiste persoon wordt verweten dat hij misleidende informatie heeft verstrekt aan monetaire autoriteit van Bermuda Eilanden, naar Nederlands recht niet misdrijf op van opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld bij of krachtens art. 1:74.1 Wft. Oordeel Rb is daarom onjuist. Gelet op omschrijving van feiten 3, 4 en 5 waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, vloeit strafbaarheid van die feiten naar Nederlands recht wel voort uit art. 225 Sr. Volgt vernietiging t.a.v. kwalificatie van feiten 3, 4 en 5 en kwalificatie van die feiten als telkens valsheid in geschrift (strafbaar gesteld in art. 225 Sr).
De uitspraak op rechtspraak.nl