HR 13 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:2

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon naar Groot Brittannië t.z.v. (medeplegen) zware mishandeling. 1. Is uitspraak in het openbaar geschied, nu p-v van zitting dat niet vermeldt? 2. Blijkt uit p-v zitting dat stukken bij behandeling zijn voorgelezen of dat korte inhoud daarvan is medegedeeld? Ad 1. Blijkens p-v van zitting van 17-8-1973 is onderzoek in zaak is geschied op openbare terechtzitting. In mede door voorzitter en griffier ondertekende schriftelijke uitspraak Rb is vermeld dat deze is gedaan door o.m. A als voorzitter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31-8-1973 in tegenwoordigheid van B als griffier. Eerste zin van het door A en B ondertekende p-v van zitting Rb (uit welk p-v blijkt dat uitspraak inderdaad heeft plaats gehad op deze zitting en in tegenwoordigheid van B als griffier) luidt: ‘’P-v van het in dezelfde zaak voorgevallene ter terechtzitting van Rb, vacantiekamer, van 31-8-1973”. HR verstaat (gelet op hiervoor overwogene) deze zin aldus dat met daarin voorkomende woord “terechtzitting’’ wordt gedoeld op openbare terechtzitting, zodat (aldus verstaan) blijkens p-v van 31-8-1973 beslissing op openbare zitting van Rb is uitgesproken. Ad 2. Uit p-v van zitting van Rb blijkt niet dat aldaar van de bij uitleveringsverzoek overgelegde stukken (meer i.h.b. de door Rb vermelde beëdigde opgaven en verklaring) voorlezing is gedaan dan wel korte inhoud is medegedeeld, zodat het ervoor moet worden gehouden dat noch het een noch het ander is geschied. Rb heeft, door niettemin o.g.v. stukken aan te nemen dat voldoende bewijs in de zin van art. XIII Uitleveringsverdrag bestaat van (mede)plegen door opgeëiste persoon van het in bevelschrift van gevangenneming omschreven feit en vervolgens t.z.v. dat feit uitlevering van opgeëiste persoon aan Groot-Brittannië toelaatbaar te verklaren, ten bezware van opgeëiste persoon op die stukken acht geslagen in strijd met het in art. 297.5 Sv gegeven voorschrift, dat ex art. 29 Uitleveringswet i.c. overeenkomstige toepassing behoort te vinden. HR zal na vernietiging van uitspraak ex art. 31.4 Uitleveringswet hebben te doen wat Rb had behoren te doen. In verband daarmee behoort opgeëiste persoon te worden opgeroepen teneinde omtrent verzoek tot uitlevering opnieuw te worden gehoord. Volgt vernietiging en oproeping opgeëiste persoon voor zitting HR. Samenhang met HR:1973:3.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen