Hof 's-Hertogenbosch 23 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2711
Procedure over verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting voor de (boek)jaren 2003/2004 tot en met 2007/2008 en 2009/2010 tot en met 2014/2015 door een in het VK gevestigd beleggingsfonds. De teruggaafverzoeken die betrekking hebben op de boekjaren 2003/2004 tot en met 2005/2006 en 2009/2010 tot en met 2014/2015 zijn terecht afgewezen aangezien belanghebbende noch door overlegging van dividendnota’s noch anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ‘te zijnen laste ingehouden dividendbelasting’ in de zin van artikel 10, lid 1 Wet DB of ‘ten laste van hem ingehouden dividendbelasting’ in de zin van artikel 11a, lid 1, Wet DB. Het hof komt met betrekking tot die boekjaren niet toe aan de vraag of belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi). Voor zover belanghebbende ter zitting gesteld zou hebben dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden nu de inspecteur van belanghebbende dividendnota’s heeft opgevraagd, beschouwt het hof deze stelling als tardief. Het hof komt met betrekking tot de boekjaren 2006/2007 en 2007/2008 wel toe aan een inhoudelijke beoordeling, aangezien de inspecteur voor die boekjaren niet betwist dat dividendbelasting is ingehouden. Belanghebbende is onvergelijkbaar met een fbi, omdat het VK buiten het VK woonachtige of gevestigde aandeelhouders met betrekking tot uit Nederland stammend dividendinkomen niet in de heffing betrekt. Het hof verwerpt tenslotte het standpunt van belanghebbende dat sprake is van verboden staatssteun aan binnenlandse beleggingsfondsen. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl