Hof 's-Hertogenbosch 18 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:67
Dividendbelasting. Afdrachtvermindering. Belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en daar gevestigd belegggingsfonds (een Publikums-Sondervermögen). De door belanghebbende behaalde beleggingswinsten werden in de in geschil zijnde jaren niet uitgekeerd, maar opgepot. In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, waarbij belanghebbende geen onderscheid maakt tussen de jaren waarin de teruggaafregeling gold en de jaren waarin de afdrachtsverminderingsregeling van toepassing was. In het arrest van 9 april 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de afdrachtvermindering voor fiscale beleggingsinstellingen in economische zin niet gelijk is aan de teruggaafregeling voor die instellingen. Voor zover belanghebbendes betoog is gericht tegen dat oordeel, gaat het hof daaraan voorbij, omdat de Hoge Raad anders heeft geoordeeld en dit een zuiver nationaalrechtelijke kwestie betreft. Voor zover belanghebbende betoogt dat de Hoge Raad in eerdergenoemd arrest het Unierecht onjuist heeft uitgelegd of toegepast door te oordelen dat het niet toekennen van de afdrachtvermindering aan niet-ingezeten beleggingsfondsen geen belemmering van het recht op vrij kapitaalverkeer vormt, is het hof van oordeel dat bij de huidige stand van het Unierecht niet kan worden gezegd dat die niet ingezeten beleggingsfondsen daarmee in objectief verschillende situaties verkeren ten opzichte van ingezeten beleggingsfondsen. Dat betekent dat evenmin kan worden gezegd dat het door de regeling inzake de afdrachtvermindering gecreëerde verschil in behandeling geen belemmering van het recht op vrij kapitaalverkeer oplevert. De vraag of het door de afdrachtsverminderingsregeling veroorzaakte verschil in behandeling gerechtvaardigd wordt door het belang van het behoud van de samenhang van het belastingstelsel, komt neer op de vraag naar de uitleg van overweging 84 van het arrest-Fidelity Funds. Om de onduidelijkheid daaromtrent, zoals geschetst in de uitspraak van het hof van 26 oktober 2022, weg te nemen zouden prejudiciële vragen gesteld moeten worden aan het HvJ, maar het hof ziet daarvan in de onderhavige zaak af omdat belanghebbende hoe dan ook niet in het gelijk kan worden gesteld. Het hof werpt het belanghebbende (in het licht van de dooruitdelingsverplichting voor ingezeten fiscale beleggingsinstellingen) niet tegen dat zij geen dividenden aan aandeelhouders uitkeert. De Duitse belastingregeling inzake beleggingsfondsen zoals belanghebbende leidt echter niet tot een heffing op aandeelhoudersniveau die vergelijkbaar is met de Nederlandse dividendbelastingheffing die plaatsvindt ter zake van, overeenkomstig de dooruitdelingsverplichting verrichte, dividenduitkeringen door de fiscale beleggingsinstellingen aan haar aandeelhouders. Belanghebbende is dus onvergelijkbaar met in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstellingen. Belanghebbende heeft dus geen recht op enige teruggaaf van dividendbelasting. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 26 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3770
- HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:503
- HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:506
- HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674
- Hof 's-Hertogenbosch 24 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5170
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:773
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:783
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:655
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:289
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:402
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:480
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:193