Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1279
Dividendbelasting. Opbrengstgerechtigde. Belanghebbende heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de trustakte of de prospectus de mogelijkheid bood om de units vrij te verhandelen. Daarmee heeft zij niet de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat zij naar Nederlandse maatstaven moet worden gekwalificeerd als niet-transparant lichaam, waardoor ze niet kan worden aangemerkt als een zelfstandig subject voor Nederlandse fiscale doeleinden, wat voor de toepassing van artikel 11a, lid 1, Wet DB is vereist. Het verzoek is terecht afgewezen, omdat geen dividendbelasting is ingehouden ten laste van belanghebbende. Het hof is wat betreft het bewijsaanbod van belanghebbende ter zitting van oordeel dat de goede procesorde zich ertegen verzet dat belanghebbende alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om zijn stelling over de vrije verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid te onderbouwen, omdat belanghebbende hiertoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Het belang van een doelmatige procesgang weegt in dit geval zwaarder dan het belang van belanghebbende om alsnog stukken te kunnen overleggen. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:582
- Conclusie A-G Wattel 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:79
- HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115
- HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610
- Hof 's-Hertogenbosch 1 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:376
- HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0721
- HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821