Hof 's-Hertogenbosch 24 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4070
het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is gedeeltelijk door de rechtbank afgewezen / ingevolge artikel 188 lid 2 Rv is dan ook een hogere voorziening toegelaten / er is dus geen sprake van een rechtsmiddelenverbod / appellant in de zaak 627 is ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep / de vragen die appellant van de rechtbank niet mocht stellen aan de getuigen zijn, in het licht van de verduidelijking van appellant in hoger beroep van feitelijke aard / het hoger beroep van appellant slaagt derhalve in zoverre / de regie van een voorlopig getuigenverhoor berust in beginsel wel bij de rechter-commissaris het appel in de zaak 629 slaagt daarentegen niet / appellante hoeft niet toegelaten te worden bij het voorlopig getuigenverhoor tussen partij X en Y / de rechtbank heeft namelijk in de beschikking van 3 november 2021 overwogen dat appellante terecht niet als wederpartij is aangemerkt, omdat X een zelfstandige procedure tegen Y wenst te starten die appellante niet raakt en de onderhavige procedure voor X niet het doel heeft om bewijs te verzamelen tegen appellante. In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat appellante óók niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de procedure van het voorlopig getuigenverhoor / deze beslissing – dat appellante terecht niet als wederpartij is aangemerkt – komt kracht van gewijsde toe, nu appellante geen grief heeft gericht tegen dit oordeel / daarom komt het hof niet toe aan de beantwoording van de vraag of in het hoger beroep tegen de beschikking van 25 februari 2022 zich een doorbrekingsgrond voordoet – gezien het rechtsmiddelenverbod van artikel 188 lid 2 Rv (zie HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395, NJ 2019, 37) – / geen sprake van schending van artikel 6 EVRM doordat appellante niet toegelaten wordt als procespartij tijdens het voorlopig getuigenverhoor zelf, omdat er geen sprake is van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen van één van de betrokkenen en dus ook niet van appellante
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 40 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 187 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 188 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 189 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 190 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 192 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 282 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 285 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:170 BW6
- Artikel 6 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105
- HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683
- Hof 's-Hertogenbosch 25 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:157
- HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1673
- HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279
- HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395
- Rb. Rotterdam 29 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9390
- Hof 's-Hertogenbosch 24 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5553
- HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0572
- HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922
- HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594
- Conclusie A-G Timmerman 10 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY8290
- HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683