Hof 's-Hertogenbosch 13 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1198

Omvangrijke VPB-procedure over een aanslag VPB 2012 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 162.506.660. Diverse geschilpunten. Geschilpunt 1: Allocatie van vreemd en eigen vermogen aan een in Libië gevestigde vaste inrichting in verband met toepassing van de objectvrijstelling. Meer in het bijzonder is in geschil of de kredietwaardigheid van het hoofdhuis terecht tot uitgangspunt is genomen en een afdoende correctie in verband met het verhoogde risicoprofiel van de vaste inrichting heeft plaatsgevonden. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend onder verwijzing naar de voor toepassing van artikel 7 OESO Modelverdrag als voorkeursmethode aangemerkte capital allocation approach. Het hof corrigeert een door de rechtbank gemaakte fout. Geschilpunt 2: Dienen alle vorderingen en schulden die in dollar luiden in samenhang gewaardeerd te worden? De enkele omstandigheid dat vorderingen en schulden in dezelfde valuta luiden is onvoldoende om tot samenhang te concluderen. Het hof slaat acht op de aard van de contracten, bezien in het licht van de aanwezige risico’s, en op de omstandigheid of afdekking van risico’s is beoogd. Het hof maakt voor elk te identificeren risico een afzonderlijke afweging. Het hof waardeert de valutatermijncontracten USD 200.000.000 en 225.000.000 in samenhang met USD-schuld I en USD-schuld II en de vordering [N SA] in samenhang met het valutatermijncontract USD 60.000.000. Geschilpunt 3: Is de winst van een dochtermaatschappij van belanghebbende, [E BV], (bewust) te hoog vastgesteld? Belanghebbende wenst af te wijken van de eigen aangifte en interne verrekenprijsdocumentatie en verwijst naar een door [W] opgesteld rapport. Het hof legt de bewijslast op belanghebbende. Naar het oordeel van het hof volgt uit voornoemd rapport niet dat er binnen het concern niet at arm’s length wordt gehandeld. Het hof wijst voorts op het globale karakter van het rapport, waardoor geen sprake is van een verrekenprijzenrapport. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de bedrijven waarmee [E BV] in het rapport vergeleken wordt voldoende vergelijkbaar zijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de winst onzakelijk hoog is vastgesteld. Geschilpunt 4: Heeft de inspecteur terecht een correctie van € 42.843.146 aangebracht in verband met de tussen [E BV] en een met belanghebbende en [E BV] verbonden onderneming, [J Ltd], gesloten Supply Agreement? In de Supply Agreement is opgenomen dat [J Ltd] verplicht is om het door [E BV] met een nieuwe fabriek geproduceerde surplus af te nemen tegen de kostprijs vermeerderd met een opslag van 5%. Voor de overige goederen worden verrekenprijzen gehanteerd die gebaseerd zijn op de [concern Transfer Pricing Master File]. Het hof legt de bewijslast dat de met betrekking tot het surplus gehanteerde verrekenprijs zakelijk is op belanghebbende. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende dit bewijs niet geleverd. Het hof gaat voorbij aan de Supply Agreement. Deze overeenkomst weerspiegelt niet de economische werkelijkheid, aangezien [E BV] ook met betrekking tot het surplus een ‘fully fledged’ producent is. Het hof leidt dit af uit de verrekenprijsdocumentatie en het feit dat na het sluiten van de Supply Agreement voor wat betreft de uitgeoefende functies, de gedane investeringen en het kapitaalbeslag (nagenoeg) niets is veranderd. Het door belanghebbende overgelegde verrekenprijsrapport van [Y] leidt niet tot een ander oordeel. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake aangezien belanghebbende niet, dan wel in te algemene zin, onderbouwt dat de haar zaak gelijk te stellen is aan de Starbucks-, Nike- en Apple-zaken en de overigens door haar genoemde voorbeelden. Dat door het [concern] ook met derden overeenkomsten zijn gesloten die (enigszins) overeenkomen met de Supply Agreement leidt evenmin tot een ander oordeel. Niet kan worden vastgesteld of de door die derden uitgeoefende functies, gelopen risico’s en gebruikte activa vergelijkbaar zijn met de uitgeoefende functies, gelopen risico’s en gebruikte activa door [E BV]. Tot slot oordeelt het hof dat de belastingheffing ter zake van een eventuele winstoverheveling niet in 2011, het jaar waarin de Supply Agreement is overeengekomen, moet worden genomen, maar van maand tot maand (jaar tot jaar) waarin het onzakelijk handelen plaatsvindt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken