Rb. Zeeland-West-Brabant 11 november 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4920
Vennootschapsbelasting Belanghebbende is de moedervennootschap van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna: FE). Zij is commanditaire vennoot in een CV naar Nederlands recht die een fabriek in [Land 1] exploiteert. Het geld voor de kapitaalstorting in de CV heeft belanghebbende geleend van een 100% dochtermaatschappij. Het aandeel in de CV komt als resultaat uit een vaste inrichting (hierna: v.i.) tot uitdrukking bij de FE. Partijen zijn het er over eens dat voor het resultaat uit de CV de objectvrijstelling (art. 15e Wet Vpb) geldt. In geschil is hoeveel rente is toe te rekenen aan de vaste inrichting. De rechtbank volgt de inspecteur in de allocatie – in verband met de [omstandigheden] in [Land 1] – van 75% eigen vermogen en 25% vreemd vermogen aan de v.i. Verder oordeelt de rechtbank dat de rentetoerekening moet plaatsvinden op het niveau van de FE en niet op vennootschapsniveau. Verder heeft de FE vorderingen en schulden in USD. Deze posities worden deels afgedekt door valutatermijncontracten. Belanghebbende waardeert deze vorderingen en schulden tegen historische verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Tussen partijen is in geschil of en in hoeverre de posities samenhangend moeten worden gewaardeerd. Nar het oordeel van de rechtbank brengt de enkele omstandigheid dat vorderingen en schulden in USD luiden, niet mee dat deze in samenhang moeten worden gewaardeerd. Er kan slecht sprake zijn van samenhang voor zover beoogd is een risico af te dekken. De rechtbank heeft dit per positie beoordeeld en een deel als samenhangend aangemerkt. Belanghebbende is een productiemaatschappij. De producten verkoopt zij aan gelieerde verkooporganisaties tegen prijzen die zijn afgeleid van marktprijzen. Na ingebruikname van een nieuwe fabriek produceert belanghebbende meer dan voorheen (hierna: het surplus). Op basis van een tweetal overeenkomsten verkoopt belanghebbende het surplus, tegen kostprijs met een opslag van 5%, aan een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij. Naar het oordeel van de rechtbank is geen reëel commercieel risico overgegaan naar de dochtermaatschappij. De inspecteur heeft het belastbaar bedrag, in verband met de winstoverheveling naar het buitenland, terecht gecorrigeerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl