Hof 's-Hertogenbosch 5 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3407

Medeplegen oplichting, passieve niet-ambtelijke omkoping en witwassen door directeur woningbouwvereniging bij het acquireren en verwerven van vastgoedprojecten. Door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, heeft verdachte een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging waar hij directeur was, is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen. Nadere uitleg ter zake van oplichting en witwassen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Parketnummer : 20-000351-18
Uitspraak : 5 oktober 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-994000-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte richt zich (mede) tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair en 5 ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

Witwassen geldbedrag, aangetroffen in een kluis bij de KBC-bank te Lommel

Verdachte is onder feit 7 vrijgesproken van het gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 700.000,00 euro, aangetroffen in een kluis bij de KBC-bank te Lommel.

Ten aanzien van deze vrijspraak overweegt het hof het volgende.

Onder feit 7 is aan verdachte als gronddelict tenlastegelegd: gewoontewitwassen, zijnde witwassen onder de strafverzwarende omstandigheid van het plegen daarvan als gewoonte. Daarbij heeft de steller van de tenlastelegging het bestanddeel ‘gewoonte’ verfeitelijkt door de tenlastelegging van onder meer het witwassen van voornoemd geldbedrag. Naar het oordeel van het hof worden door deze wijze van tenlasteleggen (de strafverzwarende omstandigheid van gewoontewitwassen) de genoemde voorwerpen, zijnde meerdere geldbedragen, niet gezien als afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Hierdoor is er geen sprake van een of meer gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, Sv. Er is met het oog op de uitspraak in eerste aanleg dientengevolge geen sprake van een beschermde vrijspraak op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 7 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ten aanzien van het onder 2 en 5 tenlastegelegde, het vonnis voor het overige zal bevestigen, met inbegrip van de beslissing op het beslag, maar met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door en namens verdachte is bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken voor het onder 1, 3, 4, 6 en 7 (voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag in de kluis van de KBC Bank te Lommel), tenlastegelegde en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 7 tenlastegelegde, voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag in de envelop, aangetroffen in het huis van de verdachte, en op het geldbedrag, aangetroffen in een koffer in het huis van de broer van verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

1.

(Project Alvarezlaan, deelproject 3.4)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006, te Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de [bedrijf 1] , althans een of meer ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten

van een geldbedrag van (circa) euro 2.866.573,67 (doc.1441), althans van (circa) euro 2.700.000,-- (doc.1441), of (circa) euro 471.142,-- (doc.176), in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig(e) goed(eren), aan [bedrijf 4] en/of (een) ander(en),

hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:

verdachte [verdachte] heeft op of omstreeks 23 juni 2005 (een) bespreking(en) gevoerd met de heer [getuige 13] van het bedrijf [bedrijf 2] , waarbij het project Alvarezlaan met [verdachte] werd besproken en kenbaar werd gemaakt dat dit project te koop was, waarbij [verdachte] kenbaar maakte dat hij/ [bedrijf 1] geïnteresseerd was en/of die [getuige 13] de zaak moest regelen met [medeverdachte 2] , vertegenwoordiger van [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] , althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking

en/of

[verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [getuige 13] hebben/heeft op het kantoor van [bedrijf 1] op 26 oktober 2005 (een) onderlinge bespreking(en) gevoerd met betrekking tot het project Alvarezlaan (Terneuzen 2)

en/of

verdachte [verdachte] heeft een brief, gedateerd 8 november 2005, afkomstig van [bedrijf 3] , op briefpapier van [bedrijf 4] en gericht aan [bedrijf 1] waarin – zakelijk weergegeven – gesproken werd over de aankoop van project Alvarezlaan te Terneuzen (percelen met opstallen) voor een bedrag groot (circa) euro 2.700.000,-- k.k., voor akkoord ondertekend en/of geretourneerd (doc.193)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft in een brief op briefpapier van [bedrijf 4] gedateerd 8 november 2005 en gericht aan [bedrijf 5] t.a.v. de heren [getuige 13] en [medeverdachte 3] , aangegeven dat [bedrijf 4] , mede namens [bedrijf 3] , bereid was/waren – zakelijk weergegeven – voor het project Alvarezlaan te Terneuzen een bod te doen groot euro 2.100.000,-- k.k. (doc.008/11)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) zijn/is met de verkopende partij [bedrijf 5] tijdens een bespreking in de maand november 2005 overeengekomen en/of hebben/heeft in een brief d.d. 30 november 2005 van de zijde van [bedrijf 5] bevestigd aan [bedrijf 3] – zakelijk weergegeven – dat de percelen gelegen aan de Alvarezlaan te Terneuzen, met opstallen onder voorwaarden konden worden gekocht voor euro 2.225.000,00 k.k. (doc.008/12)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft in een brief, gedateerd 9 december 2005, afkomstig van [bedrijf 3] en gericht aan [bedrijf 5]

– zakelijk weergegeven – bevestigd dat hij/zij bereid was/waren beide objecten (postkantoor en sporthal) te verwerven voor het bedrag van euro 2.225.000,-- k.k. (doc.008/16)

en/of

verdachte en/of verdachtes mededader(s) hebben/heeft bij de aankoop en verkoop van het project Alvarezlaan te Terneuzen een AB-BC-constructie toegepast, waarbij een (onverklaarbare) waardesprong groot (circa) euro 475.000,--, in elk geval een (grote) waardesprong in euro's, werd gerealiseerd, immers op een en zelfde dag, (14 maart 2006), passeerden bij twee verschillende notarissen de leveringsaktes, waarbij [bedrijf 2] voor (circa) euro 2.225.000,-- leverde aan [bedrijf 4] (doc.013) en [bedrijf 4] (vervolgens) (door)leverde aan [bedrijf 1] voor (circa) euro 2.866.573,67 (doc.1441) althans euro 2.700.000,-- (doc.014), zulks, terwijl verdachte [verdachte] namens [bedrijf 1] het project Alvarezlaan te Terneuzen ook rechtstreeks en/of tegen een (aanzienlijk) lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [bedrijf 2] / [bedrijf 5]

en/of

verdachte [verdachte] heeft niet voorafgaand aan de verwerving van het project Alvarezlaan te Terneuzen een haalbaarheidsstudie verricht, dan wel laten verrichten, zulks terwijl in een notitie, getiteld: "werkafspraken inzake verwervingen/vervreemdingen", afkomstig van het MT-bestuur van [bedrijf 1] en gericht aan de Raad van Commissarissen (RvC) van [bedrijf 1] , d.d. 14 september 2004, schriftelijk was vastgelegd dat aan iedere acquisitie een haalbaarheidsstudie ten grondslag zou moeten liggen die besproken en unaniem goedgekeurd zou moeten zijn door het MT van [bedrijf 1] (doc.348)

en/of

verdachte [verdachte] heeft en/of zou geld in privé ontvangen van verdachten [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 4] (voornoemd) en/of verdachte en/of verdachtes mededader(s) zou(den) (een deel van) de gemaakte winst per project onderling verdelen

en/of

verdachte [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [bedrijf 1] ten aanzien van het project Alvarezlaan te Terneuzen en/of het (geldelijke) belang van [bedrijf 1] en/of de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) en/of de (prijsopdrijvende) rol van medeverdachte(n) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] bij het project Alvarezlaan te Terneuzen en/of (aldus doende) heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project Alvarezlaan te Terneuzen tegenover (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [bedrijf 1] valselijk en/of ten onrechte voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder, waardoor [bedrijf 1] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot afgifte(n) van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden, dat

hij, op of omstreeks 14 maart 2006, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 2.866.573,67 (doc.1441), althans (circa) euro 2.700.000,-- , of (circa) euro 475.000,-- (project Alvarezlaan), (3.4)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (de Woningbouw)Vereniging [bedrijf 1] , (" [bedrijf 1] ") (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [bedrijf 1] (AMB.074), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

3 ("project [bedrijf 7] ", 3.9)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008, in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de (Woningbouw)vereniging [bedrijf 1] (" [bedrijf 1] "), althans (een) ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot het aangaan van (een) schuld(en), te weten,

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst "Herontwikkeling [bedrijf 7] 11/15 te Terneuzen", tussen enerzijds (woningbouw)vereniging [bedrijf 1] en [bedrijf 4] en anderzijds [bedrijf 6] , gedateerd 19 januari 2006, en/of het maken van afspraken waardoor

en/of

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van een "Aanvullende samenwerkingsovereenkomst herontwikkelingsovereenkomst Schuttershofweg", gedateerd 21 november 2007, tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 4] , [bedrijf 7] en/of [bedrijf 6] (doc.307 en doc.312), waarin onder meer t.a.v. de financiering werd overeengekomen – zakelijk weergegeven – dat [bedrijf 1] een geldlening zal verstrekken groot (circa) euro 2.700.000,-- en een rekening-courant faciliteit (maximaal euro 2.300.000,--) zal bieden aan [bedrijf 7] , teneinde [bedrijf 7] in de gelegenheid te stellen om aan haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen

en/of

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van een rekening courant, althans krediet overeenkomst ( [bedrijf 1] - [bedrijf 7] , gedateerd 21 november 2007, tussen enerzijds [bedrijf 1] (leninggever) en anderzijds [bedrijf 7] (leningnemer), waarin

– zakelijk weergegeven – de leninggever er zich toe bereid verklaarde in de vorm van een rekening-courantkrediet een bedrag (maximaal euro 2.300.000,--) te verstrekken, (doc.309)

en/of

het overeenkomen, sluiten en/of ondertekenen van een overeenkomst van geldlening ( [bedrijf 1] - [bedrijf 7] ), gedateerd 21 november 2007, waarin – zakelijk weergegeven – was overeengekomen dat de leninggever ( [bedrijf 1] ) bereid was aan leningnemer ( [bedrijf 7] een lening (groot euro 2.700.000,--) te verstrekken, (doc.310)

en/of

heeft bewogen en/of doen bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten het betalen van (een) bedrag(en) van (circa) euro 262.000,-- en/of (circa) euro 2.300.000,-- en/of (circa) euro 2.700.000,--, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig goed, aan [bedrijf 4] en/of (een) ander(en), (doc.388)

hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:

tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 4] ., [bedrijf 7] en/of [bedrijf 6] werd een "Aanvullende samenwerkingsovereenkomst/herontwikkelingsovereenkomst Schuttershofweg", gedateerd 21 november 2007, overeengekomen, gesloten en of ondertekend, waaruit financiële/zakelijke verplichtingen voortvloeide voor [bedrijf 1] (doc.312),

en/of

tussen enerzijds [bedrijf 1] (leninggever) en anderzijds [bedrijf 7] (leningnemer) werd een rekening courant, althans krediet overeenkomst gesloten, gedateerd 21 november 2007, waarin – zakelijk weergegeven – werd overeengekomen de verstrekking van een rekening-courantkrediet van een bedrag maximaal euro 2.300.000,-- (doc.309)

en/of

tussen enerzijds [bedrijf 1] (leninggever) en anderzijds [bedrijf 7] (leningnemer) werd een overeenkomst van geldlening gesloten, gedateerd 21 november 2007, waarin

– zakelijk weergegeven – was overeengekomen dat de leninggever bereid was aan leningnemer een lening van euro 2.700.000,-- te verstrekken (doc.310)

en/of

tussen enerzijds [bedrijf 1] en anderzijds [bedrijf 4] werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007 (doc.311), overeengekomen, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat [bedrijf 1] voornoemd, de aandelen van [bedrijf 4] voornoemd in [bedrijf 13] zou overkopen voor (circa) euro 262.500,-- en/of dat [bedrijf 1] op of omstreeks 21 december 2007, (voornoemde) (circa) euro 262.000,-- heeft betaald aan [bedrijf 4] doc.344),

door welke aankoop/overname van aandelen van [bedrijf 4] in [bedrijf 13] . in december 2007 (doc.311), [bedrijf 1] voor 100 % aandeelhouder was geworden in [bedrijf 13] en voor 50% aandeelhouder was geworden in [bedrijf 7] (doc.312 en pv. blz. 300293)

en/of

verdachte [verdachte] heeft en/of zou (per project) geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 4] (voornoemd) en/of verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) zou(den) (een deel van) de gemaakte winst per project/object onderling verdelen

en/of

verdachte [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [bedrijf 1] ten aanzien van het project [bedrijf 7] te Terneuzen en/of het (geldelijke) belang van [bedrijf 1] en/of de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) en/of de (prijsopdrijvende) rol van medeverdachte(n) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] bij het project [bedrijf 7] te Terneuzen en/of (aldus doende) heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project [bedrijf 7] te Terneuzen tegenover (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [bedrijf 1] valselijk en/of ten onrechte voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder,

waardoor [bedrijf 1] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld(en) en/of tot afgifte(n) van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

en/of

hij, op of omstreeks 21 december 2007, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 262.000,-- (project [bedrijf 7] ), (3.9)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (de Woningbouw)Vereniging [bedrijf 1] , (" [bedrijf 1] ") (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte, (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [bedrijf 1] , (amb.074), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

4 ("Deelproject [project] ", 3.8)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012, in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de (Woningbouw)vereniging [bedrijf 1] (" [bedrijf 1] "), althans een of meer ander(en),

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot het aangaan van (een) schuld(en), te weten:

het akkoord gaan door de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1] , op 19 april 2010, met het investeringsvoorstel groot (circa) euro 26.566.050,-- inzake het project [project] , (Besluit 09, 147 woningen [project] ) (doc.203, 204 en doc.484)

en/of

het overeenkomen/aangaan/tekenen van een intentieovereenkomst inzake het project " [project] , gedateerd 28 juli 2010, tussen [bedrijf 4] enerzijds en [bedrijf 1] anderzijds (doc.482)

en/of

het (laten) opmaken en/of ondertekenen van een leveringsakte tussen enerzijds [bedrijf 4] (verkoper) en anderzijds [bedrijf 1] (koper), op 29 december 2011, met betrekking tot de levering van (onder andere) appartementsrechten, voor een koopprijs van (circa) euro 5.471.326,89,(excl. BTW), in elk geval een geldbedrag (doc.053) en/of waardoor (telkens) (een) financiële/zakelijke verplichting(en) ontstond(en) voor [bedrijf 1]

en/of

heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte(n) van (een) goed/goederen, te weten: een (of meer) geldbedrag(en), van (circa) euro 6.510.879,-- (incl. BTW) (doc.53 en doc.1445/2), althans (circa) euro 1.650.380,36 (amb.264, doc.1147), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), en/of enig(e) goed(eren), aan [bedrijf 4] en/of (een) ander(en),

hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) met bovenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid jegens [bedrijf 1] en/of (een) ander(en),

de valse hoedanigheid van betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder aangenomen,

en/of

(relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen en/of verheimelijkt jegens en/of geen, althans onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft/verstrekt aan (de Raad van Commissarissen en/of het Directieteam van) [bedrijf 1] t.a.v. het project [project] en/of het (geldelijke) belang van [bedrijf 1] en/of de betrokkenheid van hem verdachte, [verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of (de prijsopdrijvende) rol van [bedrijf 4] bij het project/object [project] ,

hierin bestaande dat – zakelijk weergegeven – in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 19 april 2010 door [verdachte] een onjuiste voorstelling van zaken was gegeven met betrekking tot de besluitvorming nieuwbouw Drie Hoefijzers Project [project] (doc.203), namelijk dat [bedrijf 4] in werkelijkheid niet optrad als zelfstandige (project)-ontwikkelaar

en/of

(het tussenschuiven van) [bedrijf 4] in het project [project] , een prijsopdrijvend effect had/zou hebben op de aankoopprijs en/of de bouwsom en/of ten nadele van het (aankoop)budget en/of het financiële/zakelijke belang van [bedrijf 1]

en/of

'met betaling volgens een termijnregeling' in het investeringsvoorstel "besluitvorming nieuwbouw Drie Hoefijzers Project [project] van 12 april 2010", in werkelijkheid een vorm van voorfinanciering, althans een financieringsregeling van het project betrof en/of [bedrijf 4] niet over voldoende (eigen) vermogen beschikte om dit project uit eigen middelen te kunnen financieren (doc.484)

en/of

(daarnaast) een intentieovereenkomst inzake het project " [project] , gedateerd 28 juli 2010, tussen [bedrijf 8] enerzijds en [bedrijf 1] anderzijds was overeengekomen (doc.482)

en/of

[bedrijf 4] een geldlening/voorfinanciering, in elk geval een geldbedrag zou ontvangen van [bedrijf 1] (doc 107)

en/of

een ontbindende voorwaarde in de intentieovereenkomst tussen [bedrijf 4] enerzijds en de Vereniging [bedrijf 1] anderzijds was opgenomen en/of [bedrijf 1] hiervan gebruik had kunnen maken (doc.124)

en/of

de voortgang van het project [project] moeilijkheden ondervond naar aanleiding van de (omslachtige) projectfinanciering en/of het tot 27 december 2011 ontbreken van de (WSW)borgingsfaciliteit voor het project (doc.1116, doc.624)

en/of

bij de aankoop en verkoop van het project ' [project] , sprake was van een AB-BC-constructie, waarbij een (onverklaarbare) waardesprong groot (circa) euro 1.708.811,-- , in elk geval een (grote) waardesprong in euro's, werd gerealiseerd, immers op een en de zelfde dag (29 december 2011) passeerden bij twee verschillende notarissen de leveringsaktes en/of leverde AM B.V. grond en/of appartementsrechten aan [bedrijf 4] voor (circa) euro 4.035.350,68 (excl. BTW) (doc.052), in elk geval een geldbedrag en leverde [bedrijf 4] (vervolgens) door aan [bedrijf 1] voor (circa) euro 5.471.326,89 (excl. BTW), in elk geval een geldbedrag (doc.053)

en/of

verdachte [verdachte] (per project) geld in privé heeft ontvangen en/of zou ontvangen van [medeverdachte 2] (voornoemd) en/of [medeverdachte 4] (voornoemd) en/of dat (een deel van) de gemaakte winst per project/object onderling tussen verdachte en/of zijn mededader(s) zou worden verdeeld,

waardoor [bedrijf 1] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schulde(n) en/of tot afgifte(n) van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans (een) goed(eren);

en/of

hij, op of omstreeks 29 december 2011, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 31 december 2012 in de gemeente(n) Breda, Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag groot (circa) euro 6.510.879,-- , althans (circa) euro 1.650.380,36 (project [project] ), (3.8)

in elk geval (telkens) enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (de Woningbouw)Vereniging [bedrijf 1] , (" [bedrijf 1] ") (doc.001), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of van zijn beroep van/als directeur en/of directeur-bestuurder van [bedrijf 1] (amb.074), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

6 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand september 2009 tot en met 21 mei 2012 te Breda en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking en/of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (een) gift(en) en/of belofte(n) en/of (een) dienst(en) heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever of lastgever (Woningbouw)vereniging [bedrijf 1] , hebbende hij, verdachte, als directeur-bestuurder en/of algemeen directeur-bestuurder van [bedrijf 1] , van [getuige 14] , directeur van [bedrijf 9] een schilderij (genoemd 'Zwarte Vlag') aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever of lastgever [bedrijf 1] ;

7 hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 22 mei 2012, te Eindhoven en/of Nuenen en/of (elders) in Nederland en/of te Lommel en/of (elders) in België,

(van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt),

hebbende hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s) – zakelijk weergegeven – van (een) voorwerp(en), te weten (telkens) (een) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of (een) voorwerp(en), te weten (telkens) (een) geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van dat/die voorwerp(en)/ geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

immers verdachte en/of verdachtes mededader(s) heeft/hebben

in zijn verdachtes woning op of omstreeks 21 mei 2012 een geldbedrag voorhanden gehad en/of verborgen en/of daarvan gebruik gemaakt, immers bevond zich in een (technische) ruimte van die woning, een enveloppe, met het Rabobanklogo, inhoudende een geldbedrag groot 7.050 euro, althans een geldbedrag (IBN.E.001)

en/of

in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 29 december 2009, in een kluis(je) gehuurd bij de KBC-bank te Lommel, (circa) 700.000,-- euro, althans (circa) 70.000 euro, althans (telkens) (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of daarvan gebruik gemaakt (RHV.01-2)

en/of

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 april 2011 in verdachtes woning in de gemeente Eindhoven, een geldbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of verhuld

en/of

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in de gemeente Nuenen, in een koffer in een (kruip)ruimte in de woning van [broer verdachte] (de broer van verdachte), een koffer inhoudende (een) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld en/of voorhanden gehad en/of verplaatst van Eindhoven naar Nuenen (AMB.052) en/of (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst van bovengenoemde (contante) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld (AMB085, pv. blz. 401029 t/m 401035),

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en), geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk –

onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, het verweer gevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de zinsneden “ [verdachte] heeft (relevante) informatie verdoezeld en/of verzwegen […] voorgedaan als betrouwbare en/of integere en/of loyale directeur/bestuurder”, zoals aan verdachte is ten laste gelegd onder feit 1 primair en feit 3 (eerste cumulatieve/alternatieve feit). Kort samengevat heeft de verdediging hiertoe aangevoerd dat de tenlastelegging op de voormelde onderdelen steeds onvoldoende feitelijk is, waardoor de verdediging niet heeft kunnen vaststellen waartegen zij zich moet verweren.

Het hof verwerpt dit verweer en is met de rechtbank van oordeel dat de omschrijvingen in de tenlastelegging, in combinatie met de inhoud van het dossier, een voldoende duidelijke en concrete opgave van de aan verdachte verweten gedragingen bevatten, zoals bedoeld in

artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Dat verdachte wist waartegen hij zich

moest verdedigen, blijkt eveneens uit hetgeen ter terechtzitting door en namens verdachte

ter verdediging is aangevoerd. Het is het hof niet gebleken dat verdachte – door de wijze waarop de vorenbedoelde gedragingen in de tenlastelegging zijn omschreven – op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

Het voorgaande geldt eveneens voor de door de raadsman bepleite partiële nietigheid met

betrekking tot:

- het in feit 3 genoemde maken van afspraken waardoor er voor [bedrijf 1] financiële verplichtingen ontstonden en de eveneens bij dat feit opgenomen aanvullende samenwerkingsovereenkomst en de geldlening en de rekening-courantfaciliteit;

- het in feit 5 voor de tweede maal noemen van afspraken met [medewerker 2] over beheer.

Verder heeft de verdediging de partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit ten aanzien

van de alternatief/cumulatief onder feit 3 en feit 4 tenlastegelegde verduistering. Hiertoe is

aangevoerd dat niet tegelijk kan zijn opgelicht en verduisterd.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt met de rechtbank daartoe als volgt. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig wanneer daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar verenigbaar zijn. Vooropgesteld dient te worden dat het openbaar ministerie de vrijheid heeft te kiezen voor een alternatieve tenlastelegging.

In combinatie met de inhoud van het dossier moet het dan voldoende duidelijk zijn welke

verwijten aan verdachte worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof wordt in het

onderhavige geval aan dat criterium voldaan. Of in een concreet geval sprake zal zijn van

oplichting en/of verduistering zal vervolgens aan de orde moeten komen bij de inhoudelijke

beoordeling van het bewijs.

Ook voor het overige is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de strafvervolging

De raadsman heeft, evenals in eerste aanleg, het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat – kort samengevat – de opsporingsambtenaren van het ILT tijdens getuigenverhoren suggestieve vragen hebben gesteld en bovendien bewust en opzettelijk onjuiste informatie aan getuigen hebben voorgehouden, waardoor getuigen zijn misleid. Thans kan er geen onderscheid meer worden gemaakt tussen hetgeen getuigen uit zichzelf hebben verklaard en hetgeen zij ten gevolge van de misleidingen hebben verklaard, aldus de raadsman. Met hun optreden hebben de met opsporing belaste ambtenaren een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de

belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort

is gedaan en niet meer gesproken kan worden van een fair trial in de zin van artikel 6 van

het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele

Vrijheden (hierna: EVRM).

Het hof, met de rechtbank, overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt om te worden toegepast. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rov. 3.6.5).

Het hof constateert dat aan een aantal getuigen onderzoeksbevindingen zijn voorgehouden waarvan later bekend is geworden dat de betreffende informatie onjuist was of waarvan op het moment van verhoren reeds bekend was, althans bekend kon zijn, dat deze informatie niet juist was. Dat er aan getuigen is voorgehouden dat er omtrent het beheer van de woningen in het kader van het project ‘ [bedrijf 7] ’ geen contacten geweest waren tussen [bedrijf 1] en [medewerker 2] , terwijl die contacten er aantoonbaar wel zijn geweest, vormt hiervan een voorbeeld. Vast staat daarmee dat een en ander niet is gegaan zoals het wel had moeten gaan.

Het hof constateert echter ook op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat dergelijke fouten zich niet veelvuldig hebben voorgedaan en dat, voor zover dit is gebeurd, van opzet van de zijde van de opsporingsambtenaren niet is gebleken. Evenmin acht het hof het aannemelijk geworden dat getuigen als gevolg van deze fouten op een voor verdachte nadelige wijze zijn beïnvloed. Het hof hecht er in dit verband belang aan dat de verdediging ruimschoots de gelegenheid is geboden om getuigen bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris nader te bevragen. Naar het oordeel van het hof geven de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de eerder door de betreffende getuigen afgelegde verklaringen in twijfel te trekken.

Het voorgaande mede in aanmerking nemende, is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de betreffende inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Aan de genoemde maatstaf is dan ook niet voldaan, op grond waarvan het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan ook wordt verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 en 7 tenlastegelegde, voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag aangetroffen geldbedrag in een kluis van de KBC-bank te Lommel en een geldbedrag groot (circa) 700.000,-- euro in de woning van verdachte, heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd – kort en zakelijk weergegeven – het

medeplegen van oplichting van [bedrijf 1] binnen het deelproject ‘ [project] ’. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient onder meer te worden bewezen dat verdachte bedrieglijk heeft gehandeld met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat er binnen dit project sprake is van een onverklaarbare

waardevermeerdering. Immers is genoegzaam gebleken dat er in het kader van dit project diverse activiteiten zijn ontplooid door [bedrijf 4] (dat wil zeggen: medeverdachte [medeverdachte 2] , wijlen de heer [medeverdachte 4] en hun respectievelijke c.q. gezamenlijke ondernemingen). Het hof acht een waardevermeerdering waar geen feitelijk vastgestelde inspanningen en/of activiteiten tegenover staan, een onderdeel van de vaststelling in het geheel van handelingen in de onderhavige zaak van het delict oplichting. Nu in de onder feit 4 deelproject ‘ [project] ’ door [bedrijf 4] diverse activiteiten zijn ontplooid en dus geen sprake is van een zonder meer onverklaarbare waardevermeerdering, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en/of [bedrijf 4] het oogmerk hebben gehad zich ten koste van [bedrijf 1] wederrechtelijk te bevoordelen.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 4 primair tenlastegelegde oplichting.

De onder feit 4 subsidiair aan verdachte tenlastegelegde verduistering acht het hof

evenmin wettig en overtuigend bewezen, nu niet is gebleken dat verdachte zich wederrechtelijk enig geldbedrag heeft toegeëigend. Verdachte zal derhalve ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde, voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag aangetroffen geldbedrag in een kluis van de KBC-bank te Lommel en een geldbedrag groot (circa) 700.000,-- euro in verdachtes woning.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag in een kluis bij de KBC-bank te Lommel en het geldbedrag van 700.000,- euro in de woning van verdachte. Verdachte zal daarom in zoverre van het onder 7 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Gezien deze vrijspraak op onderdelen is het hof van oordeel dat niet gesproken kan worden van gewoontewitwassen. Het hof zal verdachte dan ook daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in Nederland, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de Woningbouw Vereniging [bedrijf 1] (" [bedrijf 1] ") heeft bewogen tot afgifte van een goed,

te weten van een geldbedrag van euro 2.866.573,67 aan [bedrijf 4] en/of een ander,

hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk –

zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

verdachte en verdachtes mededaders hebben bij de aankoop en verkoop van het project Alvarezlaan te Terneuzen een AB-BC-constructie toegepast, waarbij een grote waardesprong in euro's werd gerealiseerd, waarbij [bedrijf 2] voor circa euro 2.225.000,-- leverde aan [bedrijf 4] en [bedrijf 4] vervolgens door leverde aan [bedrijf 1] voor euro 2.866.573,67, zulks, terwijl verdachte [verdachte] namens [bedrijf 1] het project Alvarezlaan te Terneuzen ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [bedrijf 2] / [bedrijf 5]

en

verdachte [verdachte] heeft geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]

en

verdachte heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van [bedrijf 1] ten aanzien van het project Alvarezlaan te Terneuzen en het geldelijke belang van [bedrijf 1] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [bedrijf 3] en [bedrijf 4] bij het project Alvarezlaan te Terneuzen

en aldus doende heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project Alvarezlaan te Terneuzen tegenover de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder, waardoor [bedrijf 1] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag;

3 3. hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008, in Nederland, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de Woningbouwvereniging [bedrijf 1] (" [bedrijf 1] "), heeft bewogen tot de afgifte van een goed, te weten het betalen van een bedrag van euro 262.000,-- aan [bedrijf 4] , hebbende hij, verdachte en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 4] , [bedrijf 7] en [bedrijf 6] werd een "Aanvullende samenwerkingsovereenkomst/herontwikkelingsovereenkomst Schuttershofweg", gedateerd 21 november 2007, gesloten en of ondertekend, waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [bedrijf 1]

en

tussen enerzijds [bedrijf 1] en anderzijds [bedrijf 4] werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007, overeengekomen, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat [bedrijf 1] voornoemd, de aandelen van [bedrijf 4] voornoemd in [bedrijf 13] zou overkopen voor euro 262.500,-- en dat [bedrijf 1] op of omstreeks 21 december 2007 circa euro 262.000,-- heeft betaald aan [bedrijf 4]

en

verdachte heeft per project geld in privé ontvangen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]

en

verdachte heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1] ten aanzien van het project [bedrijf 7] te Terneuzen en het geldelijke belang van [bedrijf 1] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [bedrijf 3] en [bedrijf 4] bij het project [bedrijf 7] te Terneuzen

en

aldus doende heeft verdachte [verdachte] zich met betrekking tot het project [bedrijf 7] te Terneuzen tegenover de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder, waardoor [bedrijf 1] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag;

6 hij in de periode van de maand september 2009 tot en met 21 mei 2012 te Breda en Eindhoven, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever Woningbouwvereniging [bedrijf 1] , hebbende hij, verdachte, als algemeen directeur-bestuurder van [bedrijf 1] , van [getuige 14] , directeur van [bedrijf 9] een schilderij (genoemd 'Zwarte Vlag') aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever [bedrijf 1] ;

7 7. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012, te Eindhoven en/of Nuenen – zakelijk weergegeven – voorwerpen, te weten telkens een geldbedrag, voorhanden gehad, immers

verdachte heeft in zijn woning op 21 mei 2012 een geldbedrag voorhanden gehad en verborgen, immers bevond zich in een technische ruimte van die woning een enveloppe, met het Rabobanklogo, inhoudende een geldbedrag groot 7.050 euro

en

verdachte heeft in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in de gemeente Nuenen, in een koffer in een kruipruimte in de woning van [broer verdachte] (de broer van verdachte), een geldbedrag tot een totaalbedrag groot 700.000,-- euro, verborgen en voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen, geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebezigde bewijsmiddelen als bijlage aan dit arrest gehecht. De inhoud van deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Inleiding

Aan de verdachte is ter zake van feit 1 primair en 3 primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van oplichting van woningbouwvereniging [bedrijf 1] .

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het onder feit 1 primair en 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Indien het hof een ander standpunt is toegedaan, kan de onder 1 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde verduistering wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het oogmerk niet kan worden bewezen, dat er geen oplichtingsmiddelen zijn gebruikt en dat, voor zover die wel zijn gebruikt, deze niet hebben geleid tot de afgifte. Hetgeen de verdediging ter nadere adstructie van dit verweer heeft aangevoerd, staat verwoord in de overgelegde pleitnotitie, die in het dossier is gevoegd waarnaar het hof – voor zover relevant – verwijst.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt ter zake van hetgeen verdachte in feit 1 en 3 ten laste is gelegd het volgende voorop.

Het delict oplichting houdt volgens art. 326, eerste lid, Sr het volgende in:

‘Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.’

Oplichting vormt tezamen met andere specifieke delicten één van de bedrogsdelicten uit het Wetboek van Strafrecht en geeft daarmee invulling aan het uitgangspunt van de wetgever geen algemene, overkoepelende strafbaarstelling van bedrog te hebben willen formuleren, maar de strafbaarheid van bedrieglijk handelen heeft beperkt tot specifieke, strafbaar gestelde gedragingen zoals opgenomen in de afzonderlijke delictsomschrijvingen in Titel XXV van het Wetboek van Strafrecht.

Het specifieke en wederrechtelijke karakter van oplichting weerspiegelt zich onder andere in de verschillende, in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen. Met het hanteren van een of meer oplichtingsmiddelen handelt de verdachte op een specifieke, voldoende ernstige, bedrieglijke wijze, waarmee de verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.

In zijn overzichtsarrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de uitleg van oplichtingsmiddelen onder andere het volgende overwogen.

Bij een ‘samenweefsel van verdichtsels’ gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. De uitleg die daaraan in bestendige jurisprudentie wordt gegeven, is dat sprake moet zijn van ‘meer dan een enkele leugenachtige mededeling’. Maar indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, kan deze in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie, eveneens voldoende zijn voor de kwalificatie ‘samenweefsel van verdichtsels’ (vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200).

Bij ‘listige kunstgrepen’ gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Daarbij komt het aan op alle omstandigheden van het geval.

Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit ‘het aannemen van een valse naam’ of een ‘valse hoedanigheid’, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’ slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

De genoemde oplichtingsmiddelen kunnen betrekking hebben op gedragingen die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn. Daardoor kunnen concrete uitwerkingen van deze oplichtingsmiddelen onderling samenhang vertonen en elkaar overlappen. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebezigd.

Oplichting vereist blijkens art. 326, eerste lid, Sr verder dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is daarbij in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600).

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode, meer bepaald vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur/bestuurder van de in 1919 opgerichte woningbouwvereniging [bedrijf 1] . In die functie was het zijn taak het acquireren en verwerven van vastgoedprojecten. Verdachte hield zich, naast de projectmanagers, ook bezig met bijvoorbeeld keuze van architecten en aannemers.

Aan hem was ter zake van het acquireren van vastgoedprojecten door de Raad van Commissarissen van [bedrijf 1] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was dat te doen en tussen 2004 en 2008 was zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de Raad van Commissarissen namens [bedrijf 1] registergoederen te verwerven begrensd tot een bedrag van 4.500.000,- euro.

Tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen, welke blijkens de statuten van de vereniging [bedrijf 1] als taak had het toezicht houden op de directeur, legde verdachte uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. Verdachte informeerde de Raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur tijdig de voor de uitoefening van de taak van de Raad van Commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was de directeur daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de Raad noodzakelijk of gewenst was. In de notitie werkafspraken inzake verwerving/vervreemding d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de Raad informeert per bijeenkomst over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vaak de eerste acquisitiegesprekken voerde met marktpartijen, waarna hij vervolgens de beslissing nam of hij namens [bedrijf 1] met die marktpartij verder ging. Na acquisitie werd dan het Managementteam van [bedrijf 1] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.

Het eerste contact met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] was volgens verdachte toen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] een project aanboden met betrekking tot een school in Breda. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] waren beiden bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [bedrijf 4] en [bedrijf 3] Beiden waren tevens via de eigen vennootschappen voor 50% aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 4] welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van [bedrijf 4] Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [medeverdachte 4] bezig met planontwikkeling en handel in vastgoed, waarbij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor de vennootschap verder geen personeel werkzaam was.

Ter zake van feit 1 (project Alvarezlaan):

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vervolgens het navolgende vast. Nadat het project aan de Alvarezlaan te Terneuzen een grotere omvang kreeg met daaraan verbonden grotere financiële risico’s, zocht [bedrijf 2] / [bedrijf 5] bij monde van [getuige 13] , na te zijn doorverwezen, contact met verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] . Tijdens een gesprek met verdachte, waar verder niemand bij aanwezig was, wordt het project door [getuige 13] aan [bedrijf 1] aangeboden en gevraagd het plan geheel of gedeeltelijk over te nemen. Verdachte heeft tijdens dat gesprek aangegeven het project in zijn geheel te willen overnemen maar tevens aangegeven dat verder zaken moest worden gedaan met [medeverdachte 2] en heeft daartoe het telefoonnummer van [medeverdachte 2] verstrekt. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] hebben na een gesprek met [getuige 13] interesse in het project en [bedrijf 4] koopt het project op 14 maart 2006 voor € 2.225.000,-. [bedrijf 4] heeft volgens de verklaring van [medeverdachte 2] verder geen noemenswaardige werkzaamheden verricht ter zake van het project Alvarezlaan te Terneuzen en verkoopt het project diezelfde dag voor € 2.700.000,- aan de woningbouwvereniging [bedrijf 1] , waarbij na verrekening van kosten voor de acquisitie van het project Alvarezlaan te Terneuzen een bedrag van de rekening van [bedrijf 1] wordt afgeschreven van € 2.866.573,67.

Ter zake van feit 3 (project [bedrijf 7] ):

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vervolgens het navolgende vast. Ter zake van het realiseren van woningen, commerciële ruimte en parkeervoorzieningen aan de Schuttershofweg te Terneuzen worden twee overeenkomsten aangegaan tussen [bedrijf 6] enerzijds en [bedrijf 1] en [bedrijf 4] als opdrachtgever anderzijds. Het betreft de ‘Samenwerkings-overeenkomst Herontwikkeling Schuttershofweg 11/15 te Terneuzen’ d.d. 19 januari 2006 en de ‘Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling Schuttershofweg’ d.d. 21 november 2007 (hierna: de ASOK). Hierin zijn door de betrokken partijen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het project en is onder meer contractueel vastgelegd dat aan het einde van het project tussen partijen zou worden afgerekend.

In het kader van de ontwikkeling van dit project is op 25 april 2007 de werkmaatschappij ‘ [bedrijf 7] opgericht. De helft van de aandelen [bedrijf 7] werd gehouden door [bedrijf 6] en de andere helft door [bedrijf 13] , zijnde een houdstermaatschappij waarin [bedrijf 1] en medeverdachte [bedrijf 4] elk voor 50% aandeelhouder waren. [bedrijf 4] en [bedrijf 1] bezaten dus beiden 50% van de aandelen in LW [bedrijf 13] die op haar beurt weer de helft van de aandelen in [bedrijf 7] . bezat.

Op 21 december 2007 is door [bedrijf 1] het aandelenpakket LW [bedrijf 13] gekocht van [bedrijf 4] voor een bedrag van € 262.500,-. Voorafgaand aan de aandelenverkoop heeft op 19 november 2007 een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte en [medeverdachte 4] , waarbij [medeverdachte 4] blijkens berichten op het [bedrijf 4] Intranet de verkoop van aandelen van [bedrijf 4] zou gaan bespreken. Op de daaropvolgende dag, 20 november 2007, is er e-mailcorrespondentie geweest tussen [medeverdachte 4] en medeverdachte [medeverdachte 2] , kennelijk betrekking hebbend op de verkoop van de aandelen in LW [bedrijf 13] In deze e-mails zijn onder meer berekeningen gemaakt van de beoogde winstmarges voor [bedrijf 6] , [bedrijf 1] en [bedrijf 4] .

Vervolgens is op 21 november 2007 de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling Schuttershofweg ondertekend, waarbij op nadrukkelijk aandringen van verdachte (handmatig) een voorgecalculeerde brutomarge werd opgenomen en door de betrokken partijen geparafeerd. Deze brutomarge werd vastgesteld op € 2.100.000,- en werd als volgt verdeeld: € 600.000,- voor [bedrijf 1] , € 500.000,00 voor [bedrijf 4] en € 1.000.000,- voor [bedrijf 6] . Het hof, met de rechtbank, stelt vast dat de in deze verdeling genoemde marges nagenoeg gelijk zijn aan de marges welke in de e-mailcorrespondentie (in de bijlage onder C) tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] werden vermeld.

Op 4 december 2007 werd er vervolgens door [medeverdachte 4] , namens [bedrijf 4] , een brief gestuurd aan [bedrijf 1] waarin werd verzocht om het winstdeel ad

€ 500.000,- uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel d.m.v. aandelenoverdracht in LW [bedrijf 13] aan woningbouwvereniging [bedrijf 1] . Het genoemde bedrag komt overeen met dat uit de handgeschreven aanvulling in de ASOK. Naar aanleiding van deze brief heeft verdachte aan [getuige 6] , op dat moment Hoofd Financiën bij [bedrijf 1] , verzocht om aan de hand van de winstmarges de prijs voor de aandelenoverdracht te berekenen. [getuige 6] kwam daarop met een voorstel van € 187.500,-. Dit bedrag vond verdachte te laag waarop hij het eenzijdig heeft verhoogd tot € 262.500,-, waarna op 21 december 2007 door [bedrijf 1] een bedrag van € 262.000,- voor de aandelen werd betaald.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof het volgende.

Ter zake van het project Alvarezlaan (feit 1) concludeert het hof dat verdachte, in zijn positie als directeur-bestuurder, het project rechtstreeks en voor een veel lagere prijs van [bedrijf 2] / [bedrijf 5] had kunnen kopen. [bedrijf 4] heeft daarbij in de personen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ter zake van het project geen enkele noemenswaardige inspanning of activiteit verricht die de waardestijging van € 475.000,- kan verklaren. Terwijl verdachte wist dat de aangeboden prijs voor het project veel lager was, heeft hij toch ingestemd met de aankoop van het project van [bedrijf 4] voor de veel hogere prijs. Zoals hierboven overwogen bekleedde verdachte een sleutelpositie die hem in staat stelde om [bedrijf 4] bij de aankoop van dit object een rol te geven en hen blijkens de gang van zaken te bevoordelen.

Het hof leidt ter zake van feit 3 (project [bedrijf 7] ) uit de voren omschreven feiten en omstandigheden af dat verdachte en diens medeverdachten de exit van [bedrijf 4] reeds voorafgaand aan het sluiten van de ASOK hebben besproken met het kennelijke doel een goede prijs voor de aandelen van [bedrijf 4] in LW [bedrijf 13] te realiseren. De sleutelpositie van verdachte binnen [bedrijf 1] , zoals hierboven beschreven, stelde hem in staat om eenzijdig en zonder deugdelijke onderbouwing over te gaan tot uitkoop van [bedrijf 4] , althans hen een geldbedrag te doen toekomen. Verdachte heeft begin december na ontvangst van de brief van [bedrijf 4] , [getuige 6] een berekening en constructie laten bedenken om aan dit verzoek van [bedrijf 4] tot overname van de aandelen gevolg te geven. Deze berekening was echter aanzienlijk lager, zijnde € 187.500,-, dan het uiteindelijk op instigatie van verdachte betaald bedrag van € 262.000,-. Geconfronteerd met de omstandigheid dat verdachte deze vergoeding voor de aandelenoverdracht op € 262.000,- heeft gesteld terwijl [getuige 6] na een berekening tot een aanzienlijk lager bedrag was gekomen, heeft verdachte geen andere verklaring kunnen geven dan dat hij vond dat “ [bedrijf 4] een hoger bedrag toekwam en [bedrijf 4] niet nog eens het vel over de oren gehaald moest worden”. De omstandigheid dat een handelspartner waar een lang lopende relatie mee bestaat ook financieel behoorlijk dient te worden bejegend, kan volgens het hof echter in dezen verklaren noch rechtvaardigen dat een bijna 30% hoger bedrag van de totale aankoopsom voor de betreffende aandelen werd betaald. Het hof vindt bovendien de timing van de verkoop van de aandelen door [bedrijf 4] opmerkelijk. Op dat moment was nog niet begonnen met de bouw en [bedrijf 1] wilde dat [bedrijf 4] betrokken bleef bij het project. Uit het niets lijkt [bedrijf 4] – in een tijd waarin voor wat betreft de economische vooruitzichten (de bouwconjunctuur) niet te voorzien was dat de winst zou stijgen – een verzoek te doen tot overname van de aandelen en daarmee uitbetaling van een geprognosticeerd resultaat, waaraan door verdachte zonder enige slag of stoot gevolg wordt gegeven op een manier die, zoals geschetst, als afwijkend kan worden omschreven vanuit een zakelijke benadering.

Betalingen aan verdachte door [bedrijf 4]

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij vanaf het eerste project uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan verdachte, dat verdachte daarom had gevraagd, dat de hoogte van die geldbedragen afhankelijk was van het resultaat van een project en dat hij bang was dat een deal met [bedrijf 1] anders niet door zou gaan. Deze verklaring heeft [medeverdachte 2] spontaan, uit zichzelf en zonder enige beperking daarin afgelegd toen hem werd gevraagd naar de reden waarom verdachte naar hem had verwezen toen door [getuige 13] aan verdachte het project Alvarezlaan in Terneuzen werd aangeboden. Dat [medeverdachte 2] daarbij onder ongeoorloofde druk stond, is niet gebleken. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard dat het afleggen van de verklaring voor hem een opluchting was en hij heeft bij die verklaring tegenover de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep in grote lijnen volhard.

[medeverdachte 2] heeft zijn eerdere verklaring later bij de rechter-commissaris afgezwakt met betrekking tot het aantal keren dat hij betalingen aan verdachte zou hebben gedaan (het was geen gewoonte, het betrof slechts 4 of 5 keer) en de beperking van de periode (uiterlijk tot 2006) waarover dat zou zijn gebeurd. Deze afzwakking acht het hof ongeloofwaardig. Het hof merkt op dat [medeverdachte 2] tegenover de verbalisanten van het ILT uit zichzelf verklaarde omtrent deze betalingen aan verdachte en de achtergrond daarvan en daarbij noch in tijdsperiode, noch in aantal enige beperking heeft aangebracht. Het had naar het oordeel van het hof gelet op die verklaring zonder meer voor de hand gelegen dat [medeverdachte 2] deze beperkingen dan direct zou hebben verteld, nu hij ook zichzelf met deze verklaring belastte. Ook de reden waarom [medeverdachte 2] zou zijn gestopt met de betalingen (zijn vrouw was het er niet mee eens, het volgen van een opleiding in de makelaardij) overtuigt het hof geenszins, bezien in combinatie met het volgens [medeverdachte 2] uitblijven van enige reactie van de zijde van verdachte op dit stoppen van betalingen. Dit deel van de verklaring staat in een schril contrast met het gebruik van douceurtjes in de wereld van het vastgoed waarover [medeverdachte 2] verklaarde, de gegroeide gewoonte om verdachte afhankelijk van het resultaat te belonen, de bij [medeverdachte 2] levende angst dat deals niet door zouden gaan als hij niet zou betalen, de vraag van verdachte om geld en de omstandigheid dat [bedrijf 4] ook na 2006 door verdachte werd aanvaard als contractpartij voor [bedrijf 1] .

Daarbij past de verklaring van [medeverdachte 2] dat aan verdachte geldbedragen zouden zijn betaald bij het overzicht in de bewijsmiddelen van contante geldopnamen van de in Nederland bekende bankrekeningen van [medeverdachte 2] en de samenloop met ontmoetingen met verdachte. Daarbij merkt het hof op dat [medeverdachte 2] tevens heeft verklaard dat hij ook contante geldbedragen meenam uit Zwitserland. Deze Zwitserse geldopnamen zijn niet meegenomen in het overzicht.

Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat medeverdachten [medeverdachte 2] en wijlen [medeverdachte 4] aan verdachte geldbedragen hebben toegeschoven naar aanleiding van vastgoedprojecten van [bedrijf 4] ten behoeve van woningbouwvereniging [bedrijf 1] . Dat ook [medeverdachte 4] bij die betalingen betrokken is geweest, leidt het hof af uit hun verklaringen over de intensieve en volledige samenwerking binnen [bedrijf 4] tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en het overzicht van contante geldopnamen door beiden en hun ontmoetingen met verdachte. Met name de gang van zaken rond de ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 4] op 25 juli 2011 sterkt het hof in de overtuiging dat [medeverdachte 4] bij deze betalingen nauw betrokken was. Een andere reden waarom [medeverdachte 4] bij gelegenheid van zijn ontmoeting met verdachte die dag persé wilde kunnen beschikken over een contant geldbedrag van € 12.500,- dan dat hij dit geldbedrag aan verdachte wilde overhandigen, is niet aannemelijk geworden. Bij de overtuiging van het hof speelt voorts een belangrijke rol dat zowel medeverdachte [medeverdachte 2] als [medeverdachte 4] tegenover de verbalisanten vragen over de wetenschap van [medeverdachte 4] dienaangaande niet hebben willen beantwoorden. Niet valt in te zien waarom zij niet direct daar openheid van zaken over hebben willen geven als [medeverdachte 4] niet van de douceurtjes wist.

Positie verdachte binnen [bedrijf 1]

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte binnen de woningbouwvereniging [bedrijf 1] , als directeur-bestuurder, in de ten laste gelegde periodes bij feit 1 en 3 een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de Raad van Commissarissen. Dit blijkt onder meer uit de navolgende omstandigheden. Verdachte had een vergaande bevoegdheid tot acquireren en verwierf zelfstandig registergoederen/projecten, waarbij hij zelf de onderhandelingen voerde en solistisch te werk ging, waardoor [bedrijf 1] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [bedrijf 1] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl verdachte zich ook dan met de uitvoering van projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Bij de vergaderingen van de Raad van Commissarissen had verdachte grote invloed op de agendering en was hij bovendien verantwoordelijk voor de selectie van de stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde verdachte het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De Raad van Commissarissen was hierdoor afhankelijk van verdachte voor wat betreft de informatie over acquisities en lopende projecten.

Het hof concludeert dat verdachte, in zijn positie als directeur-bestuurder, het project Alvarezlaan (feit 1) rechtstreeks en voor een veel lagere prijs van [bedrijf 2] / [bedrijf 5] had kunnen kopen. Zoals hierboven overwogen bekleedde verdachte een sleutelpositie die hem in staat stelde om [bedrijf 4] bij de aankoop van dit object een rol te geven en hen via een AB-BC-transactie te bevoordelen. Zoals eveneens hierboven is overwogen, heeft [bedrijf 4] de met die transactie verkregen winst mede aangewend voor het toestoppen van financiële douceurtjes aan verdachte.

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken ter zake van het project [bedrijf 7] (feit 3) en in aanmerking genomen dat door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] geld in privé aan verdachte werd toegeschoven, concludeert het hof dat verdachte en zijn medeverdachten de uitkoop van de aandelen vooraf hebben geregisseerd en zichzelf met de opbrengsten daarvan hebben bevoordeeld.

Verdachte heeft tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen geen melding gemaakt van de geschetste wijze waarop ter zake van de projecten Alvarezlaan en Schutterhof is onderhandeld met respectievelijk [bedrijf 2] / [bedrijf 5] en [bedrijf 4] waarbij hij [bedrijf 4] gezien de geschetste omstandigheden zonder redelijk doel en ten nadele van [bedrijf 1] in een financieel veel gunstigere positie bracht.

Voor wat betreft het project Alvarezlaan is het hof van oordeel dat verdachte aan de Raad van Commissarissen een onvolledig beeld heeft geschetst en de wezenlijke informatie heeft onthouden nu niet werd medegedeeld dat [bedrijf 1] het project Alvarezlaan zonder tussenkomst van [bedrijf 4] voor een veel lagere prijs had kunnen verwerven. Bovendien heeft verdachte jegens de Raad van Commissarissen de indruk laten bestaan dat bij de aankoop van het project de belangen van [bedrijf 1] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl verdachte heeft verzwegen dat de prijs voor de aankoop van het project veel te hoog was en hij in privé geld had ontvangen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , zijnde de bestuurders van [bedrijf 4]

Voor het project [bedrijf 7] geldt eveneens dat de Raad van Commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [bedrijf 1] aan de Raad de juiste en volledige informatie zou geven. Verdachte heeft hierbij geen melding gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern was berekend als redelijk. Hierbij neemt het hof ter zake van dit project tevens in overweging dat niet is gebleken dat de betreffende Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, hoewel dit wel had moeten gebeuren. Hiermee heeft verdachte aan de Raad van Commissarissen een onvolledig beeld geschetst en tevens informatie onthouden die wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoc goedkeuring omtrent de koopovereenkomst betreffende de aandelen van [bedrijf 4] in LW [bedrijf 13]

Verdachte heeft daarnaast tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen ook nimmer melding gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Verdachte was op grond van de reglementen van [bedrijf 1] echter uitdrukkelijk gehouden tegenover de vereniging tot een behoorlijke taakvervulling en tevens verplicht om de Raad van Commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat heeft verdachte nagelaten. Ware de Raad van Commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou zij hebben ingegrepen door minst genomen verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Dat [bedrijf 1] mogelijk in financiële zin profijt heeft gehad van het door verdachte gevoerde beleid, doet er niet aan af dat verdachte de voor hem gunstige omstandigheid heeft gecreëerd waarin de Raad van Commissarissen kennelijk onvoldoende in staat was controle te houden op zijn bestuurlijk optreden.

Conclusie:

Op grond van de in het voorgaande geschetste feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde in feit 1 en feit 3 tezamen en in vereniging met onder andere [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , met het oogmerk om zich en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [bedrijf 1] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen. Daarmee heeft verdachte zich ter zake van feit 1 en 3 schuldig gemaakt aan oplichting.

Concluderend acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 3 (eerste alternatief/cumulatief) tenlastegelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen, zoals na te melden.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 (tweede alternatief/cumulatief) tenlastegelegde verduistering, omdat niet is gebleken dat de verdachte zich de gelden op enig moment wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht.

M.b.t. het onder 6 ten laste gelegde feit (de passieve niet-ambtelijke omkoping).

Vooropgesteld moet worden dat blijkens vaste jurisprudentie het in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift dient te worden aangemerkt als één voortdurende omissie. Het delict wordt derhalve gepleegd gedurende de gehele periode waarin het ontvangen van een gift in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever wordt verzwegen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte tussen eind 2009 en medio 2010 van de heer [getuige 14] een schilderij getiteld ‘Zwarte Vlag’ geschonken heeft gekregen. Blijkens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 1] was verdachte met ingang van 1 oktober 2001 aangesteld als enig directeur/bestuurder van [bedrijf 1] en stond hij aldus in civielrechtelijk dienstbetrekking tot [bedrijf 1] .

Van de zijde van de verdediging is onder meer aangevoerd dat het schilderij in de privésfeer door [getuige 14] aan verdachte is geschonken. De verdediging heeft meer bepaald aangevoerd dat geen sprake is van het aannemen van een gift ‘naar aanleiding van een doen of laten’ in dienstbetrekking en evenmin teneinde de goede zakelijke relatie tussen [bedrijf 1] en Nieuwe Borg B.V. in stand te houden. De gift is een privé-aangelegenheid geweest en gegeven op een privégelegenheid waardoor geen sprake zou zijn van het aannemen van een gift ‘naar aanleiding van een doen of laten’ in de zin van art. 328ter Sr.

Het hof stelt in dit verband het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [getuige 14] via diens personal holding [bedrijf 9] aandelen bezit in het bedrijf Nieuwe Borg B.V., waarvan hij volledig eigenaar is. Volgens de website van [bedrijf 1] , welke op 5 december 2011 door verbalisanten is geraadpleegd, ontwikkelden [bedrijf 1] en Nieuwe Borg samen diverse projecten, waaronder een woonwijk genaamd Willemskwartier te Tilburg (418 woningen en commerciële ruimten) en Stationspark Meander (194 appartementen). Getuige [getuige 15] , voormalig secretaresse van verdachte, noemt Nieuwe Borg als een van de externe partijen waarmee verdachte (zakelijk) contacten onderhield. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat door [getuige 14] ook giften aan [bedrijf 1] werden gedaan, welke giften op het kantoor van [bedrijf 1] zijn gebleven. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat tussen [getuige 14] en verdachte (ook) een zakelijke relatie bestond.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat binnen [bedrijf 1] een integriteitscode gold waarin gedragsregels zijn neergelegd om op integere wijze te handelen. Dit protocol, dat zich tot eenieder binnen de organisatie richt, vermeldt onder meer dat “geschenken van partijen waarmee [bedrijf 1] in onderhandeling is of mogelijk komt of waarmee [bedrijf 1] (mogelijk gaat) samenwerken nooit [worden] aanvaard”. Reeds door het geschenk van [getuige 14] te aanvaarden heeft verdachte in strijd met de integriteitscode en dus in strijd met de goede trouw gehandeld. Ten aanzien van acceptatie vermeldt de integriteitscode voorts de volgende richtlijn: “ontvangst van relatiegeschenken moet altijd gemeld worden bij de leidinggevende. Bij twijfel over de waarde (boven 'alledaags karakter') van het relatiegeschenk, maakt de leidinggevende de afweging of het geschenk aangenomen mag worden.”

Gelet op de functie van verdachte als directeur-bestuurder had hij de gift in zijn geval dienen te melden bij de overige leden van het directieteam, dan wel bij de raad van commissarissen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze gift binnen [bedrijf 1] nooit heeft gemeld. Als reden daarvoor heeft verdachte onder meer aangevoerd dat hij – tot het moment dat zijn inboedel werd getaxeerd – niet wist dat het schilderij waarde had. Het hof is van oordeel dat verdachte reeds op grond van de aard van de gift had moeten vermoeden dat de waarde ervan aanzienlijk hoger lag dan een gift met een alledaags karakter. Het betrof immers geen kamerplant of doos bonbons of een hiermee vergelijkbare gift. Mede gelet op de aard van de gift had het in elk geval op de weg van verdachte gelegen om onderzoek te doen naar de waarde ervan. [getuige 14] , die het schilderij kort tevoren voor € 12.500,- had aangekocht, heeft verklaard dat verdachte niet naar de waarde van het schilderij heeft gevraagd.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat niet kan worden bewezen dat het schilderij is gegeven ‘naar aanleiding van een doen of laten’ omdat het een privaatrechtelijke gift betreft, overweegt het hof volledigheidshalve nog het volgende.

Volgens het hof dient het begrip ‘gift’, zoals opgenomen in artikel 328ter Sr, ruim te worden uitgelegd waarbij het kan gaan om materiële of immateriële voordelen zonder objectiveerbare waarde. Dat in casu sprake zou kunnen zijn van een privaatrechtelijke gift – het hof begrijpt: een schenking als bedoeld in art. 7:175 BW, zijnde een overeenkomst om niet die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt – waardoor niet van een gift in de zin van art. 328ter Sr kan worden gesproken, volgt het hof niet. Dat tussen beide een dusdanig verschil zou bestaan waardoor geen sprake zou zijn van een ‘gift’ als bedoeld in art. 328ter Sr en derhalve geen sprake zou kunnen zijn van strafbaarheid bij het aannemen van een dergelijke gift, vindt volgens het hof geen steun in het recht. Om te komen tot een bewezenverklaring is niet de aard van de onderliggende rechtsbetrekking bepalend, noch hoeft te worden aangetoond dat de persoon die de gift heeft ontvangen iets heeft gedaan dat hij anders niet zou hebben gedaan. Het in algemene zin in stand houden van een goede relatie is daartoe als grondslag voldoende concreet (vgl. Hoge Raad 27 november 1990, NJ 1991/318).

In het kader van de onderhavige zaak is volgens het hof voldoende concreet geworden dat in de tenlastegelegde periode [getuige 14] het schilderij heeft geschonken teneinde de goede zakelijke relatie tussen [bedrijf 1] en Nieuwe Borg B.V. in stand te houden en heeft verdachte het aannemen daarvan in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever woningbouwvereniging [bedrijf 1] .

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het voorgaande in aanmerking nemende, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde feiten, zoals na te melden.

M.b.t. het onder 7 ten laste gelegde feit (witwassen).

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen voor zover betrekking hebbend op het geldbedrag in een kluis bij de KBC-bank te Lommel en het geldbedrag van € 700.000,00 in de woning van verdachte. Verdachte zal daarom in zoverre van het onder 7 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Naast de bovengenoemde bedragen ziet de tenlastelegging op een enveloppe in de woning van verdachte met daarin € 7.050,00 en op een koffer in de kruipruimte van de woning van de broer van verdachte met daarin € 700.000,00. Hieromtrent overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Hoewel er naar het oordeel van het hof aanwijzingen bestaan dat de in de koffer en in de enveloppe aangetroffen geldbedragen verband houden met de bewezenverklaarde oplichtingspraktijken van verdachte, is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor een direct verband. Het hof neemt bij zijn beoordeling dan ook als uitgangspunt dat er geen bewijs aanwezig is voor een specifiek gronddelict.

In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad over het

bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), het volgende overwogen:

‘2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de

beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald

misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten

en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en

omstandigheden.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken