HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200
Oplichting. Samenweefsel van verdichtsels, Art. 326 (oud) Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BQ8600 m.b.t. het feit dat het voor een antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het so. door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld a.b.i. art. 326 Sr, aankomt op alle omstandigheden van het geval. En dat tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedreigen en de persoonlijkheid van het so. Mede gelet op dit vooropgestelde en gelet op hetgeen uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid, geeft ’s Hofs oordeel ten aanzien van (telkens) de bewezenverklaring van een “samenweefsels van verdichtsels”, waarin besloten ligt het oordeel dat telkens sprake is van meer dan een enkele leugenachtige mededeling, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl