Hof 's-Hertogenbosch 9 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4633
Het Hof is van oordeel dat de forfaitaire rendementsheffing (box 3) in het jaar 2015 niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Het Hof heeft daarbij gekeken naar het nominale rendement van risicomijdende beleggingen en concludeert dat in dit jaar weliswaar het door de wetgever veronderstelde mogelijke rendement van 4% niet langer haalbaar was, maar dat een rendement van 1,6% nog wel haalbaar was. Rekening houdend met een tarief van 30% zou de box 3-heffing bij een rendement van 1,6% neerkomen op een effectieve heffing van 75%. Van een dergelijke heffing kan niet worden gezegd dat zij ertoe leidt dat belastingplichtigen worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Geen individuele en buitensporige last.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 94 Gw
- Artikel 120 Gw
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 3:3 Awb
- Artikel 3:4 Awb
- Artikel 3:46 Awb
- Artikel 6:17 Awb
- Artikel 7:10 Awb
- Artikel 7:12 Awb
- Artikel 8:58 Awb
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 2.3 Wet IB 2001
- Artikel 2.4 Wet IB 2001
- Artikel 5.1 Wet IB 2001
- Artikel 5.2 Wet IB 2001
- Artikel 5.3 Wet IB 2001
- Artikel 5.13 Wet IB 2001
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 23 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:146
- Hof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:83
- HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969
- HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0664
- HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3103
- HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816
- HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0721
- HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416
- HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821
- HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3099