Hof Amsterdam 23 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:146
Vermogensrendementsheffing (Box 3 Wet inkomstenbelasting 2001). Toets aan art. 1 Eerste Protocol EVRM. Voor het jaar 2013 concludeert het Hof dat het reële rendement op risicovrije beleggingen over een lange termijn in aanzienlijke mate afwijkt van het bij de invoering van de vermogensrendementsheffing voorziene (reële) rendement van 4%. Op ‘regelniveau’ is sprake van een schending van de op grond van art. 1 EP vereiste ‘fair balance’. De aan de wetgever toekomende (ruime) beoordelingsmarge en de rechtsstatelijke positie van de rechter houden in dat de wetgever enige tijd moet worden gegund om in de geconstateerde disbalans te voorzien. Gegeven de inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende is in dit geval – naar het oordeel van het Hof – evenwel geen sprake van een individuele en excessieve last, zodat de aanslag inkomstenbelasting 2013 in stand blijft.
De uitspraak op rechtspraak.nl