Hof 's-Hertogenbosch 5 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1496

BPM. Wederom heeft de inspecteur geen verweerschrift ingediend. Gelet op eerdere uitspraken, ziet het Hof thans aanleiding hieraan consequenties te verbinden, namelijk een proceskostenvergoeding van € 500. Art. 8, lid 8, Uitv. reg. BPM (toonplicht) is niet in strijd met het recht. Wel moet de inspecteur bij het uitoefenen van zijn controlerecht, te weten het bepalen van de locatie waar de auto moet worden getoond, rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het onderhavige geval heeft de inspecteur, nadat belanghebbende had aangegeven niet te zullen ingaan op de uitnodiging de auto te tonen in Soesterberg, gepoogd de auto bij belanghebbende te schouwen. De auto werd niet aangetroffen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet geschonden. Bewijslast ten aanzien van waardevermindering in verband met schade rust op belanghebbende. Door het niet voldoen aan de toonplicht c.q. gelegenheid geven tot schouwen, heeft belanghebbende haar bewijspositie verzwakt. Het Hof ziet aanleiding de waardevermindering in verband met schade in goede justitie vast te stellen op € 4.000. Belanghebbende mag historisch tarief 2012-2 toepassen, ook al heeft de auto een datum eerste toelating van 27 februari 2013. Door de werking van art. 16a Wet BPM is niet uitgesloten dat zich op de Nederlandse markt auto’s bevinden, waarvan de datum eerste toelating 27 februari 2013 is en waarop het tarief van 2012-2 is toegepast. Gelet op art. 110 VWEU en de rechtspraak van het HvJ mag ook belanghebbende dan het tarief 2012-2 toepassen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken