Hof 's-Hertogenbosch 17 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1076

[K] heeft een onroerende zaak overgedragen aan [D] [H] [M] B.V. Laatstgenoemde heeft vervolgens een voortdurend recht van erfpacht en een zelfstandig voortdurend recht van opstal op onderdelen van deze onroerende zaak aan belanghebbende geleverd. Het Hof acht aannemelijk dat [K] in lijn met het beleid zoals opgenomen in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M aan de Inspecteur gevraagd heeft te bevestigen dat het tijdstip van eerste ingebruikneming voor de omzetbelasting per etage van de onroerende zaak beoordeeld moet worden. Het Hof oordeelt dat artikel 37d van de Wet OB bewerkstelligt dat ook belanghebbende gebonden is aan deze kwalificatieafspraak tussen [K] en de Inspecteur. Belanghebbende heeft voornoemde rechten namelijk gekregen ingevolge de overgang van een algemeenheid van goederen. Een dergelijke overgang heeft tot gevolg dat, behoudens uitzonderingen, degene op wie de goederen overgaan fiscaalrechtelijk in de plaats treedt van de overdrager. Dientengevolge dient, naar het oordeel van het Hof, elke etage van het kantoorgebouw [H] als zelfstandige onroerende zaak te worden beschouwd voor de toepassing van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV. Het Hof oordeelt dat, gelet op de data van eerste ingebruikneming van betreffende etages, de samenloopvrijstelling uit artikel 15, lid 1, onderdeel a, van de Wet BRV niet van toepassing is. Voorts oordeelt het Hof dat belanghebbendes stelling faalt dat de Inspecteur ten onrechte de gekapitaliseerde waarde van voornoemde rechten tot de heffingsgrondslag van de overdrachtsbelasting heeft gerekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen