Hof 's-Hertogenbosch 31 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2191
Belanghebbende woont in België. Hij is bestuurder en enig aandeelhouder van een BVBA. De BVBA is actief in projectmanagement en belanghebbende voerde als enige werknemer van de BVBA werkzaamheden uit ten behoeve van projecten in een projectkantoor in Nederland. Hij beschikte daar niet over een vaste werkplek; hem werden naar behoefte wisselende bureaus ter beschikking gesteld. Op de werklocatie vond toegangscontrole en poortregistratie plaats. Niet in geschil is dat belanghebbende in het onderhavige jaar minder dan 183 dagen in Nederland heeft gewerkt. Op de dagen dat belanghebbende in Nederland werkzaam was, reisde hij heen en weer tussen zijn woonplaats in België en de werkplek. Hij beschikte in Nederland niet over een appartement of pied-à-terre. Ook verbleef hij in Nederland niet in een pension of hotel. Wel is in geschil of en hoeveel dagen belanghebbende voor privédoeleinden in Nederland verblijf heeft gehouden. In geschil is of Nederland gerechtigd is om belasting te heffen over het door belanghebbende van de BVBA genoten loon. Deze vraag spitst zich toe op het antwoord op de vragen a. of er sprake is van een vaste inrichting; b. of bij belanghebbende het rechtens te beschermen vertrouwen is gewekt dat geen sprake is van een vaste inrichting; c. of belanghebbende voldoet aan de 183 dagen eis. Ad a. Het Hof is in afwijking van de Rechtbank van oordeel dat sprake is van een vaste inrichting. Belanghebbende is gedurende een aantal jaren werkzaam geweest op dezelfde locatie van één opdrachtgever in Nederland waar hij de beschikking had over aan hem door de opdrachtgever ter beschikking gestelde faciliteiten en in kon loggen op de systemen van de opdrachtgever. Voorts was er sprake van een langdurig contract. Ad b. Naar het oordeel van het Hof kan en mag belanghebbende aan de afgegeven VAR het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat voor het onderhavige jaar geen sprake is van een vaste inrichting van de BVBA in Nederland. Ad c. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat het niet de bedoeling van de verdragsluitende partijen kan zijn geweest om in een specifiek geval als het onderhavige, waarin geen sprake is van een tijdelijk in Nederland verblijvende expat, maar in feite sprake is van een grensarbeider, de belastingheffing mede afhankelijk te doen zijn van de lijfelijke aanwezigheid in de werkstaat in verband met niet met de werkzaamheid verband houdende activiteiten en voegt hier aan toe dat een redelijke uitleg van het Verdrag met zich brengt dat dagen die louter een privé karakter en geen enkele relatie met het werk hebben, niet meetellen voor de 183 dagen eis. Daarbij heeft het Hof mee laten wegen dat belanghebbende elke werkdag op en neer rijdt tussen zijn woonplaats in België en de werkplek in Nederland en dat hij niet beschikt over een pied-à-terre of appartement in Nederland of aldaar in een pension of hotel verblijft.
De uitspraak op rechtspraak.nl