Hof 's-Hertogenbosch 11 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5954

1. Veroordeling wegens het medeplegen van een poging tot doodslag, gepleegd op 4 januari 2013 op de Vestdijk te Eindhoven, tot 8 maanden jeugddetentie, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. 2. Strafvermindering wegens een schending van artikel 8 EVRM. Het hof stelt vast dat met het integraal vertonen van de camerabeelden van de geweldplegingen op Omroep Brabant, niet is voldaan aan de eis van subsidiariteit zodat reeds om die reden sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Het hof overweegt dat de vertoning van de beelden op deze vergaande wijze de schending van een fundamenteel recht, te weten de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, meebrengt. Zoals ook door de officier van justitie zelf in de appelschriftuur is aangegeven, had voor een minder zwaar middel kunnen worden gekozen om de identiteit van de verdachten te achterhalen. Een zorgvuldige afweging van belangen had naar het oordeel van het hof hetzelfde resultaat (voor de opsporing) kunnen opleveren, maar dan wel met een minder ingrijpende inbreuk op het privéleven en aldus met minder nadeel voor de verdachte. Dat de geweldshandelingen plaatsvonden in de openbare ruimte maakt nog niet dat de verdachten daardoor minder recht zouden hebben op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Het laat onverlet dat een burger er op mag vertrouwen dat zorgvuldig met zijn belangen wordt omgegaan bij de beoordeling of, en zo ja, in welke vorm eventuele camerabeelden publiek worden gemaakt. Van het openbaar ministerie mag immers worden verwacht dat de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat dat, gezien de bewoordingen in de appelschriftuur, in de onderhavige zaak in het geheel niet is geschied. Al met al is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het handelen van het openbaar ministerie dermate onzorgvuldig is geweest, dat hierdoor strafvermindering gerechtvaardigd is. 3. Vormverzuim wegens handelen in strijd met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met bepaling 4.1 van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving, inhoudende dat voorafgaand aan de vertoning/uitzending van de camerabeelden in de media toestemming van de hoofdofficier van justitie is vereist. Deze bepaling leent zich naar inhoud en strekking er toe als rechtsregel jegens de verdachte te worden toegepast. Nu de toestemming van de hoofdofficier van justitie ontbreekt en de verdachte zich op deze bepaling van de Aanwijzing kan beroepen, en zulks ook heeft gedaan, is er sprake van een vormverzuim. Gelet echter op de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dat de hoofdofficier van justitie, als hem voorafgaand aan de vertoning/uitzending van de camerabeelden om toestemming zou zijn gevraagd, hij deze toestemming zeker zou hebben verleend, overweegt het hof dat kan worden volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan en er zullen aan dit verzuim dan ook geen rechtsgevolgen worden verbonden. 4. De bepalingen van de Aanwijzing onder 4.4, betreffende de belangenafweging bij de inzet van opsporingsberichtgeving, en 7.1.2, betreffende de inschakeling van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving, zijn naar het oordeel van het hof te beschouwen als instructienormen voor het openbaar ministerie, waar de verdachte geen rechten aan kan ontlenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken