Hof 's-Hertogenbosch 23 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8735

Belanghebbende is gehuwd geweest en woont op het adres A straat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende en haar echtgenoot hebben de onroerende zaak op 14 april 1989, onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning (hierna: het recht van gebruik en bewoning) van een perceel bouwterrein met een daarop in aanbouw zijnde bungalow, verkocht aan hun twee kinderen. De kinderen hebben het bloot eigendom van de onroerende zaak. In de notariële akte verklaarden belanghebbende en haar echtgenoot het omschreven goed na voltooiing van de afbouw, te gaan bewonen. Het recht van gebruik en bewoning eindigt slechts bij het overlijden van de langstlevende van de gerechtigden, door het doen van afstand door beide gerechtigden en door het metterwoon verlaten van de woning door de gerechtigden. [..] Het geschil betreft de vraag of aan het recht van gebruik en bewoning van de onroerende zaak per 1 januari 2002 respectievelijk per 31 december 2002 een waarde dient te worden toegekend in de zin van artikel 5.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen