Hof 's-Gravenhage 29 november 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3631

Overtreding door een rechtspersoon van het voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het motortankschip van de verdachte vennootschap is niet voorzien geweest van een Certificaat van Goedkeuring. Bij de hoogte van de opgelegde geldboete heeft het hof er rekening mee gehouden dat aan de verdachte vennootschap kort na het vaststellen van de overtreding een nieuw Certificaat van Goedkeuring is afgegeven, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte vennootschap ten tijde van het plegen van het feit aan alle vereisten voor het krijgen van een dergelijk certificaat heeft voldaan. Beroep op bewijsuitsluiting wegens ontbreken bevoegdheid van de brigadier bij de KLPD om inzage in het hiervoor genoemde certificaat te vorderen, is verworpen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een concrete verdenking voor de opsporingsbevoegdheid op grond van de WED niet is vereist. Wel is vereist dat er concrete aanwijzingen zijn dat er voorschriften zijn overtreden, maar die aanwijzingen hoeven geen betrekking te hebben op het desbetreffende geval. De in een brief van de KLPD genoemde cijfers wijzen erop dat de ADNR veelvuldig werd overtreden in de tenlastegelegde periode. Gelet hierbij op de wetsgeschiedenis en de zienswijze van de Hoge Raad waren er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak concrete aanwijzingen dat er voorschriften van de ADNR werden overtreden, nu dit blijkens de cijfers in die periode veelvuldig gebeurde. Dit was voldoende aanwijzing voor de brigadier om op die grond inzage in het certificaat te vorderen op de voet van artikel 23 juncto artikel 17 van de Wet op de economische delicten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen