Hof Den Haag 7 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1728
Beoordeling betekening met het oog op verstekverlening. Diverse betekeningskwesties. Het hof beschouwt een Nederlands adres niet als “woon- of verblijfplaats van de geadresseerde” (art. 36e lid 1 onderdeel b sub 2° Sv). Mocht dit oordeel onjuist zijn, dan is er niettemin geldig aan dit adres betekend. Dezelfde redenering wordt toegepast op een adres in Polen, welk adres, wat het hof betreft, niet kan worden beschouwd als bekende “woon- of verblijfplaats in het buitenland” (art. 36e lid 3 Sv). Verder overweegt het hof, onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2023:742, dat, bij rechtstreekse “toezending van de mededeling” (art. 36e lid 3 Sv), uit de door Polen afgelegde verklaring bij het ERV niet voortvloeit dat er voor die toezending een dertigdagentermijn in acht genomen dient te worden. Ten slotte overweegt het hof dat geen steun in het recht vindt de opvatting dat, als vermoed kan worden dat de verdachte recent gedetineerd is geweest in Polen, op het Openbaar Ministerie de verplichting rust om bij de Poolse autoriteiten te informeren naar de verblijfplaats die de verdachte bij ontslag uit detentie eventueel heeft opgegeven. N.B. Het hof publiceert in dit geval niet het arrest, maar het proces-verbaal van de terechtzitting, omdat dit proces-verbaal (in een bijlage) de motivering van de verstekverlening bevat.
De uitspraak op rechtspraak.nl