Hof Den Haag 22 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:998
Vrijspraak van terrorismefinanciering (art. 421 Sr). Ontbreken van opzet. Overweging hof: Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan het hof niet vaststellen dat de verdachte wist dat haar dochter [betrokkene 1] en/of de tussenpersoon [betrokkene 2] ten tijde van het overmaken van het geld, lid was/waren van IS of een andere terroristische organisatie dan wel anderszins daarbij betrokken waren. Veroordeling voor overtreding Sanctiewet 1977. Kleurloos opzet voldoende. Verwerping van het beroep op de rechtvaardigingsgrond: het handelen ter uitvoering van een wettelijke plicht, als bedoeld in artikel 1:395a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Toepassing van artikel 9a Sr gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en die zich nadien hebben voorgedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl