Hof Den Haag 14 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1539
In deze bpm-zaken is in geschil of in de bezwaarfase de hoorplicht en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel zijn geschonden, of 100 procent van het getaxeerde schadebedrag in aftrek komt, of belanghebbende recht heeft op leeftijdskorting en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente zonder dat daarvoor een verzoek ex artikel 28c van de Invorderingswet 1990 dient te worden gedaan. Belanghebbende heeft verzocht om een (hogere) vergoeding voor immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, een integrale proceskostenvergoeding voor de (hoger)beroepsfase en heeft gesteld dat de geheven griffierechten te hoog zijn en dat het Hof prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524
- Hof Amsterdam 17 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:91
- HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790
- HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:583
- HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822
- HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847
- HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:746
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:250