Hof Den Haag 11 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1447

Naar aanleiding van een boekenonderzoek sloot erflater een vaststellingsovereenkomst met de Inspecteur over de afwikkeling van de schulden aan zijn B.V. Als onderdeel van de vaststellingsovereenkomst maakte erflater binnen twee weken na ondertekening een bedrag over naar de Belastingdienst. De Inspecteur stelt dienovereenkomstig een voorlopige aanslag vast. Bij de nadien ingediende aangifte maakt de gemachtigde van erflater een fout doordat hij het betaalde bedrag aan inkomstenbelasting heeft opgenomen als te verrekenen dividendbelasting. De Inspecteur legt een tweede voorlopige aanslag op die leidt tot een teruggave. Erflater nam contact op met de Inspecteur en diende direct een gewijzigde aangifte in. De Inspecteur corrigeert de ten onrechte verleende teruggave met een derde voorlopige aanslag en brengt daarbij € 14.850 belastingrente in rekening. Partijen verschillen van mening over de vraag of terecht en naar het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de tweede voorlopige aanslag zonder nader onderzoek vast te stellen overeenkomstig de tweede aangifte. Het belopen van de belastingrente is een gevolg van die onjuiste aangifte. De correctie daarvan bij de derde voorlopige aanslag leidt dan ingevolge art. 30fb, lid 4, AWR tot het belopen van belastingrente over het bedrag van die correctie. Voor de door de Rechtbank toegekend matiging van de belastingrente is geen aanleiding De door de erfgenamen aangevoerde gronden in het incidenteel hoger beroep leiden niet tot een ander oordeel. De erfgenamen doen een beroep op het begunstigend beleid van de staatssecretaris van Financiën zoals dat gold tot 8 december 2017. Het Hof oordeelt dat de erfgenamen geen beroep kunnen doen op het begunstigend beleid, omdat de beschikking belastingrente dateert van ná 8 december 2017. De stelling dat de Belastingdienst ook na 8 december 2017 dit beleid nog feitelijk heeft toegepast is niet aannemelijk gemaakt met de overgelegde aanslagbiljetten van andere belastingplichtigen. Verder heeft de Inspecteur niet onzorgvuldig gehandeld door na de uitbetaling van de tweede voorlopige aanslag niet de mogelijkheid te bieden het bedrag direct terug te storten op de rekening van de Belastingdienst. Evenmin was de Inspecteur gehouden de derde voorlopige aanslag eerder op te leggen om de belastingrente te beperken. De stelling van de erfgenamen dat de belastingrente op basis van artikel 5:42 van de Awb dient te vervallen op het moment van overlijden van de belastingplichtige, vindt geen steun in het recht. Verder is het Hof niet gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend of dat strijd is met artikel 1 EP in het onderhavige geval. Tot slot kan het Hof enkel rechtspreken en is het hem niet toegestaan de innerlijke waarde en billijkheid van de wettelijke regeling van de belastingrente te beoordelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken