Rb. Den Haag 25 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7603
Aan erflater is een nadere voorlopige aanslag IB/PVV (de derde voorlopige aanslag) over het jaar 2016 opgelegd op grond waarvan de verschuldigde belasting € 453.757 bedraagt. Daarbij is tevens bij beschikking € 14.850 aan belastingrente in rekening gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het opleggen van de tweede voorlopige aanslag niet de vereiste zorgvuldigheid betracht. Gelet op de vaststellingsovereenkomst, de omstandigheid dat het door erflater aangegeven bedrag dermate afweek van hetgeen in die overeenkomst was afgesproken en van het bedrag van de eerste voorlopige aanslag, had het verweerder ten tijde van het opleggen van de tweede voorlopige aanslag redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat het bedrag van de tweede voorlopige aanslag vermoedelijk lager was dan op grond van artikel 13, eerste lid, van de AWR toelaatbaar is. Bij de derde voorlopige aanslag is daarom ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl