Hof Den Haag 21 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1330

Verzekeringsplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen Rijnvarende. Belanghebbende woont in Nederland, werkt op een schip dat, voorzien van een rijnvaarcertificaat van 2010 t/m 2014 vaart in de Rijnoeverstaten. De exploitant van het schip is in Nederland gevestigd, de werkgever van belanghebbende in Luxenburg. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2013 terecht niet-ontvankelijk verklaard (zie voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil over het jaar 2013 de afzonderlijke uitspraak met nummer BK-19/00573). De SVB heeft bij besluit bepaald dat belanghebbende in de onderhavige periode is onderworpen aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. De Rechtbank Rotterdam heeft dit oordeel in beroep bevestigd. De Inspecteur en de belastingrechter dienen zich te richten naar de verklaring van de SVB. Anders dan belanghebbende stelt, staat het ontbreken van een zogenoemde A1-verklaring niet in de weg aan de heffingsbevoegdheid van de Inspecteur (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1151). Voor zover de belanghebbende de (zelfstandige) bevoegdheid van de Inspecteur tot vaststelling van de verzekerings- en premieplicht vóór vaststelling van de Nederlandse verzekeringsplicht door de SVB betwist, geldt dat de Inspecteur bevoegd is zelfstandig vast te stellen of sprake is van verzekeringsplicht. Het Hof is bovendien bevoegd dit oordeel materieel te toetsen (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236). Voorts is Nederland op grond van de Rijnvarendenovereenkomst of het EU-recht niet verplicht (eventuele) dubbele premieheffing te voorkomen door verrekening van de in Luxemburg betaalde premies toe te staan (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken