Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1643

Hof Den Haag beantwoordt de vraag of de heffing van afvalstoffenbelasting, voor zover zij gevaarlijke afvalstoffen betreft, in strijd is met de wet, ontkennend. Art. 28, lid 1, aanhef en onderdeel c, Wbm biedt geen ruimte voor een extensieve interpretatie inhoudende dat het nihiltarief van toepassing is op het verbranden gevaarlijke afvalstoffen in een inrichting, waarin niet alleen huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen en gemengd sorteerresidu, maar ook gevaarlijke afvalstoffen mogen worden verbrand. Voor een analoge toepassing van de vrijstelling van afvalstoffenbelasting van ter verwijdering aan een inrichting afgegeven zuiveringsslib dat is bestemd om binnen die inrichting te worden verbrand, ziet het Hof evenmin aanleiding. Ook de vraag of de heffing van afvalstoffenbelasting ter zake van gevaarlijke afvalstoffen in strijd is met de verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel, beantwoordt Hof Den Haag ontkennend. Het Hof volgt hierbij het door het EHRM in zijn arresten Della Ciaja/Italië, Stec/Verenigd Koninkrijk, Carson/Verenigd Koninkrijk en Stummer/Oostenrijk uitgestippelde pad. Tenslotte oordeelt Hof Den Haag dat de heffing van afvalstoffenbelasting niet in strijd is met het Europese recht, meer in het bijzonder met het in artikel 14 van de kaderrichtlijn afvalstoffen neergelegde beginsel ‘de vervuiler betaalt’.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken