Hof Arnhem 17 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT2910
Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 1980, LJN AC 7020, blijkt dat voor beoordeling van de vraag of [verdachte]. moet worden beschouwd als de rechtspersoon waartegen krachtens artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht vervolging mogelijk is, de maatschappelijke realiteit beslissend is. Gelet op het perspectief van derden en de kenbaarheid van de rechtspersoon op het moment van de vervolgingsbeslissing stelt het hof vast dat uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2010 blijkt dat [verdachte] in 2008 nog als V.O.F. naar buiten is getreden en zelfs begin 2009 de naam ‘[verdachte]’ nog is gebruikt in correspondentie. Voorts bevindt zich in het dossier een brief van 17 december 2008 -dus van na het tenlastegelegde- waarin namens de B.V. wordt verzocht om alle gegevens van het relatienummer van de V.O.F. om te zetten naar het relatienummer van de B.V. Dat de omzetting van de V.O.F. naar de B.V. met terugwerkende kracht is geschied, wat pas in hoger beroep bekend is geworden, doet aan het voorgaande niet af. Daar komt bij dat directeur [naam] en chauffeur [naam] in hun verklaringen tegenover de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst niet hebben gesproken over de B.V., doch slechts over de V.O.F. Noch in de opsporingsfase, noch bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is van de kant van verdachte gesproken over de omstandigheid dat de verkeerde rechtspersoon dreigde te worden aangesproken of zou zijn gedagvaard. Gelet op het voorgaande is de keuze van het openbaar ministerie om de V.O.F. te dagvaarden een begrijpelijke.
De uitspraak op rechtspraak.nl