Hof Arnhem 9 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO3607

BW 6:80, 6:265 Uitgangspunt van de vaste rechtspraak van dit hof met betrekking tot het melkquotum is dat dit quotum naar evenredigheid samenhangt met het gepachte, voor zover dit in het referentiejaar 1983 dienstbaar was aan de melkveehouderij. Indien de pacht wordt beëindigd, ontstaat volgens dezelfde rechtspraak op het moment van die beëindiging een aanspraak van de verpachter op oplevering van een evenredig gedeelte van het met het oorspronkelijk gepachte samenhangende quotum, waartegenover de pachter aanspraak kan maken op vergoeding van in beginsel de helft van de waarde van dat gedeelte. De verbintenis tot het opleveren van het met het gepachte samenhangende quotum werpt haar schaduw vooruit, in die zin dat een goed pachter reeds tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst rekening zal houden met het bestaan van die verbintenis en al datgene zal nalaten wat hem eventueel in de onmogelijkheid brengt om die verbintenis na te komen op het moment dat zij opeisbaar wordt. Dit laatste is in de rechtspraak van dit hof meer dan eens aldus opgevat als zou op de pachter een (zelfstandige) verbintenis rusten om het melkquotum tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst niet te vervreemden. Strikt genomen zou die opvatting tot consequentie hebben dat de pachter die het quotum zonder toestemming van de verpachter vervreemdt, ook dan wanprestatie pleegt wanneer hij afdoende maatregelen heeft getroffen om te waarborgen dat hij bij gelegenheid van het einde van de pacht in staat zal zijn om het met het gepachte samenhangende melkquotum, althans een gelijke hoeveelheid quotum, aan de verpachter op te leveren. De meer recente rechtspraak van dit hof (laatstelijk het arrest van 20 april 2010, LJN BM2185) gaat van een andere opvatting uit en plaatst hetgeen de pachter tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst met betrekking tot het melkquotum doet en nalaat in de sleutel van artikel 6:80 BW. Ook in de huidige opvatting van het hof zal de verpachter die tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst wordt geconfronteerd met vervreemding van het melkquotum door de pachter, veelal uit wanprestatie kunnen ageren, zij het ook dat de grondslag van zijn vorderingsrecht zal moeten zijn de verbintenis om bij gelegenheid van het einde van de pacht het met het gepachte samenhangende quotum aan de verpachter op te leveren. Die verbintenis is weliswaar pas opeisbaar bij het einde van de pacht, maar de gevolgen van de niet-nakoming ervan treden volgens artikel 6:80 BW in de in die bepaling bedoelde gevallen reeds vóór het moment van opeisbaarheid in. Tot die gevallen behoort onder meer het geval dat vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn (artikel 6:80 lid 1 onder a), alsook het geval dat de schuldeiser, kort gezegd, op goede gronden de schuldenaar heeft aangemaand en deze zich niet binnen de door de schuldeiser gestelde termijn bereid heeft verklaard om zijn verplichtingen na te komen (artikel 6:80 lid 1 onder c). In verband met onder meer de zeer aanzienlijke waarde die een melkquotum van enige omvang (althans op dit moment) vertegenwoordigt, behoort van de pachter die het melkquotum heeft verkocht maar betwist dat zich een van de in artikel 6:80 BW omschreven gevallen voordoet, te worden gevergd dat hij gemotiveerd aangeeft op welke wijze de correcte nakoming van de verbintenis tot oplevering van het quotum bij het einde van de pacht is verzekerd. De pachter kan dus niet volstaan met een niet of nauwelijks gemotiveerde betwisting van de stellingen van de verpachter dienaangaande. Indien aan de vereisten die artikel 6:80 BW stelt is voldaan, kan de verpachter, behalve vervangende schadevergoeding, ook ontbinding van de pachtovereenkomst vorderen. Daaraan staat niet in de weg dat de verbintenis tot oplevering van het quotum niet tot de hoofdverplichtingen van de pachtovereenkomst behoort. Volgens artikel 6:265 BW geeft immers iedere tekortkoming de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Wel zal de pachter – evenals in ieder ander geval van een beroep op ontbinding – het verweer kunnen opwerpen dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling van de gegrondheid van dat verweer zal de pachtrechter dienen te letten op alle omstandigheden van het geval, waaronder de waarde die het melkquotum vertegenwoordigt en de ernst van het verwijt dat de pachter ter zake van de vervreemding van het melkquotum kan worden gemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen