Hof Arnhem 19 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC7324
Melkquotum. Eigendomsovergang van het gepachte. 34 Pachtwet (oud); 6:212 BW, 7:361 BW. Vraag of de samenhang tussen het melkquotum en het gepachte op 9 november 1984 is verbroken doordat op die datum het gepachte aan verpachtster in eigendom is overgedragen, terwijl bovendien op hetzelfde moment de voordien geldende pachtovereenkomst werd vervangen door een nieuwe pachtovereenkomst op deels andere voorwaarden. Volgens artikel 34 Pachtwet (oud) volgde bij eigendomsovergang van het gepachte op een derde deze de verpachter in alle rechten en verplichtingen op, met uitzondering van die rechten en verplichtingen die vóór de eigendomsovergang opeisbaar waren geworden. In overeenstemming met de regeling in geval van huur en in overeenstemming met het huidige artikel 7:361 Burgerlijk Wetboek moet de bepaling van artikel 34 in die zin worden verstaan, dat de bedoelde rechtsopvolging alleen plaatsvindt voor zover er een onmiddellijk verband bestaat met de kernverplichtingen van verpachter en pachter, namelijk het verschaffen van het gebruik en het betalen van de pachtprijs. Wat betreft de vraag of ook de verplichting van de pachter om bij beëindiging van de pacht het melkquotum aan de verpachter over te dragen, alsmede de daartegenover staande verplichting van de verpachter om ter gelegenheid van die overdracht aan de pachter een vergoeding te betalen, in onmiddellijk verband staan met bedoelde kernverplichtingen van verpachter en pachter in de zin als hiervoor bedoeld, is het volgende van belang. Artikel 7 lid 1 van de Verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 590/85, bepaalde dat bij overdracht van het bedrijf de overeenkomstige referentiehoeveelheid aan de koper, huurder of erfgenaam wordt overgedragen en het vierde lid van dat artikel 7 bepaalde dat in het geval van het verstrijken van een pachtovereenkomst zonder dat de pachter recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, de lidstaten kúnnen bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, ter beschikking van de vertrekkende pachter wordt gesteld, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 13 juli 1989 (5/88, Wachauf/BRD, AB 1992, 14) geoordeeld dat de leden 1 en 4 van artikel 7 tezamen gelezen aantonen dat de gemeenschapswetgever de referentiehoeveelheid aan het einde van de pacht in beginsel wilde laten terugkeren naar de verpachter, die opnieuw de beschikking over het bedrijf verkrijgt, onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om de referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk aan de vertrekkende pachter toe te kennen. Aldus bestaat naar de bedoeling van de gemeenschapswetgever een onmiddellijk verband tussen het door de verpachter aan de pachter ter beschikking gestelde bedrijf – in de zin van het geheel van productie-eenheden die door de producent (gedurende de pacht: de pachter) worden beheerd en die op het geografisch grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd (art. 12 onder d van Verordening (EEG), nr. 857/84) – en het melkquotum. Mede tegen de achtergrond van het beginsel van conforme interpretatie dat de verhouding tussen het nationale recht en het gemeenschapsrecht beheerst, moet daarom worden aangenomen dat eigendomsovergang van het gepachte op een derde mede tot gevolg heeft dat de pachter bij beëindiging van de pacht het melkquotum aan deze opvolgende verpachter dient over te dragen, onverminderd de (door het nationale recht beheerste, Hof van Justitie 24 maart 1994, 2/92) verplichting van de verpachter om – tegen de achtergrond van het beginsel zoals dit ten grondslag ligt aan artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek en in overeenstemming met de vaste rechtspraak van deze kamer van het hof – ter gelegenheid van die overdracht aan de pachter een vergoeding te betalen die in overeenstemming is met de omvang van zijn bijdrage in de opbouw van de melkproductie van het bedrijf. De omstandigheid dat op 9 november 1984 de voordien geldende pachtovereenkomst werd vervangen door een nieuwe pachtovereenkomst op deels andere voorwaarden brengt in het voorgaande geen verandering. In overeenstemming met de bedoeling van de gemeenschapswetgever om het melkquotum aan het einde van de pacht in beginsel te laten terugkeren naar de verpachter, moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat partijen een pachtovereenkomst aangaan die een voorafgaande pachtovereenkomst vervangt, niet tot gevolg heeft dat de samenhang tussen het melkquotum en het gepachte wordt verbroken, behalve voor zover partijen anders zijn overeengekomen. Pachter heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat partijen anders zijn overeengekomen (zie arrest).
De uitspraak op rechtspraak.nl