Hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:184
6:80, 6:119 BW Verhouding tussen schadestaatprocedure. Begroting van verschuldigde vergoeding na verkoop van melkquotum. Bedrijfsoppervlakte in referentiejaar. Ingangsdatum wettelijke rente. In de hoofdprocedure is in het midden gebleven of de aanspraak van de Parochie gegrond is op tekortkoming of niet. Het hof heeft in het arrest van 28 april 2009 onder 4.12 immers overwogen dat voor de aanspraak van verpachtster op betaling van de helft van de waarde van het melkquotum ten tijde van de verkoop niet van belang is of pachter heeft mogen begrijpen dat verpachtster tegen de verkoop op zichzelf geen bezwaar had, waarmee het hof klaarblijkelijk het oog heeft gehad op hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen in een geval dat een pachter met toestemming van de verpachter het met het gepachte samenhangende melkquotum verkoopt, zonder dat partijen afspraken hebben gemaakt over de afrekening van de waarde van dat quotum. Het hof verwijst naar de arresten van deze kamer van 28 december 2004, Agr.r. 2006/5343 inzake Natuurmonumenten/[geïntimeerde] en 19 februari 2008, LJN BC7324, Agr.r. 2009/5528 inzake Stichting Het Weeshuis/[geïntimeerden]. Naar de overwegingen van het hof in het arrest van 28 april 2009 is door de pachtkamer van de rechtbank in het vonnis van 9 maart 2010 verwezen, zodat ook dat vonnis in het midden laat of van een tekortkoming sprake is of niet. Ervan uitgaande dat pachter – conform zijn standpunt in de hoofdprocedure – toestemming had voor de verkoop, is art. 6:80 BW dus niet van toepassing en is sprake van een aanspraak van de Parochie op nakoming van hetgeen uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit, namelijk voldoening van de helft van de verkoopopbrengst. De wettelijke rente begint dan te lopen (bij gebreke van een eerdere ingangsdatum van het verzuim) vanaf het moment van het instellen van de vordering. Hetzelfde geldt als het hof met pachter ervan zou uitgaan dat de vordering van de Parochie wel op tekortkoming is gegrond. Weliswaar bepaalt het tweede lid van art. 6:80 BW dat in geval van de toepasselijkheid van het eerste lid het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging, maar daaruit volgt niet dat ook geen wettelijke rente loopt vanaf het moment dat de schuldeiser daadwerkelijk op schadevergoeding aanspraak is gaan maken. De door pachter verdedigde uitleg van art. 6:80 lid 2 BW zou betekenen dat de schuldenaar straffeloos betaling kan uitstellen tot het oorspronkelijke moment van opeisbaarheid, wat uiteraard in strijd is met de strekking van het eerste lid van dat artikel. Ook ervan uitgaande dat de vordering van verpachtster op tekortkoming is gegrond, is dus wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van het instellen van de vordering.