Hof Arnhem 23 oktober 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB6933

Art. 25, 38 en 39 Pachtwet. Gegronde klachten; maatschap; bietenquotum. In het onderhavige geval is sprake van een man/vrouw vennootschap onder firma. Er is derhalve sprake van één andere maat, waarmee pachter in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd. Naar het oordeel van het hof kan, zelfs indien mocht blijken dat de gepachte gronden wel zijn ingebracht in de vennootschap onder firma en een verdeling van de zeggenschap van 50-50% (in de akte) is overeengekomen, niet worden aangenomen dat pachter de zeggenschap over het gepachte in onaanvaardbare mate heeft afgestaan, omdat in dat geval pachter immers niet door de andere maat (tevens zijn echtgenote) kan worden overstemd. Daarnaast wordt door de Stichting niet ontkend dat pachter alle bedrijfsbeslissingen over het gepachte neemt. Het hof is derhalve van oordeel dat op dit punt geen sprake is van een gegronde klacht in de zin van artikel 39 Pachtwet. Met betrekking tot het bietenquotum overweegt het hof als volgt. De hoofdregel is dat het een pachter in verband met artikel 25 lid 2 Pachtwet en de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de partijen bij de pachtovereenkomst beheerst in het algemeen niet zal vrijstaan om aan het einde van de pachtovereenkomst de pachtgrond aan zijn verpachter ter beschikking te stellen zonder het daarmee samenhangende bietenquotum. Dit brengt mee dat het een pachter niet vrijstaat zonder toestemming van de verpachter het bietenquotum op naam van een derde te doen overschrijven. In het onderhavige geval heeft overschrijving van het bietenquotum plaatsgevonden op naam van de echtgenote van pachter. De Bekker heeft hiermee weliswaar verpachtster aan een zeker risico blootgesteld, hetgeen in beginsel neerkomt op een tekortkoming aan de zijde van pachter, maar gelet op het feit dat pachter en zijn echtgenote in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd en het feit dat pachter het suikerbietenquotum nog voor het einde van de pacht en voor de beschikking in eerste aanleg weer op zijn naam heeft laten zetten, is het hof van oordeel dat onder deze bijzondere omstandigheden op dit moment onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat er sprake is van een gegronde klacht in de zin van artikel 39 Pachtwet. Uit het voorgaande volgt dat de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet hier niet van toepassing is. Nu ook overigens niet is gebleken van enige andere verplichte afwijzingsgrond zal het hof op grond van artikel 38 Pachtwet een beslissing naar billijkheid geven. Volgt verlenging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen