Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2997

Oordeel van het hof (in de zin van art. 2:11 lid 7 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties) i.v.m. de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van een levenslange vrijheidsstraf die is opgelegd in België. Herbeoordeling op verzoek van de Minister. Zijn er gronden voor aanpassing van de opgelegde straf, gelet op het verbod van strafverzwaring en de verschillen tussen de Belgische en de Nederlandse regeling voor de invrijheidstelling van levenslanggestraften? Het hof oordeelt dat er geen gronden zijn voor aanpassing van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. Met de omstandigheid dat de veroordeelde in België het vooruitzicht zou hebben gehad dat ongeveer vijftien jaren na aanvang van de detentie (lees: omstreeks oktober 2026) zou worden beoordeeld of hij zou voldoen aan de voorwaarden voor invrijheidstelling, kan rekening worden gehouden binnen het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 6:2:10 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering) dan wel in het kader van de gratieprocedure.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken