Art. 2:12 Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties, (beslissing Onze Minister)
Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
1. Onze Minister beslist over de erkenning van de rechterlijke uitspraak met inachtneming van het oordeel van de bijzondere kamer van het gerechtshof.
2. Onze Minister kan met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat een gedeeltelijke erkenning van de rechterlijke uitspraak overeenkomen voor zover die autoriteit kan aangeven welk deel van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie door een toepasselijke weigeringsgrond niet wordt geraakt. Onze Minister kan aan de gedeeltelijke erkenning de voorwaarde verbinden dat na de tenuitvoerlegging in Nederland geen verdere tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak in de uitvaardigende lidstaat meer plaatsvindt.
3. Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat onverwijld schriftelijk en met redenen omkleed in kennis van zijn beslissing op grond van het eerste lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:850
- Rb. Amsterdam 9 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2931
- Conclusie A-G Vegter 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:194
- Rb. Gelderland 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4168
- Rb. Den Haag 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10137
- Rb. Rotterdam 9 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6340
- Rb. Gelderland 27 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1672
- Rb. Den Haag 16 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:659
- Rb. Den Haag 13 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8036
- Rb. Den Haag 18 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:16325
- Rb. Amsterdam 23 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7719
- Rb. Amsterdam 10 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5817
- Rb. Amsterdam 6 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3544
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2997