Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10807

Artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het vonnis dit onder opgave van redenen aangeeft. In de rechtspraak over deze bepaling wordt het belang van de rechtszekerheid benadrukt. De voorwaarden waaraan een rechtmatige vrijheidsberoving dient te voldoen moeten duidelijk zijn omschreven en de wijze waarop zij worden toegepast moet in redelijkheid voorzienbaar zijn. Dat brengt mee dat het oordeel van de opleggingsrechter omtrent de vraag of de maatregel is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, beslissend is voor de vraag of de maatregel vatbaar is voor verlenging door de verlengingsrechter. In dit geval heeft het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 18 april 2018 bij de oplegging expliciet overwogen dat de totale duur van de maatregel met verpleging van overheidswege een periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Daarbij heeft het hof Den Haag gemotiveerd waarom het in deze zaak tot deze vaststelling is gekomen. De verlengingsrechter is dan ook niet meer bevoegd over dit punt te oordelen. Daaraan doet niet af dat het arrest van het gerechtshof Den Haag innerlijk tegenstrijdig is. Het gerechtshof Den Haag stelt immers ook expliciet vast dat de maatregel wel degelijk is opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Vanwege voornoemd belang van de rechtszekerheid acht de penitentiaire kamer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doorslaggevend dat het gerechtshof Den Haag expliciet heeft overwogen dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege de periode van vier jaar niet te boven kan gaan. De penitentiaire kamer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt daarom tot de conclusie dat de maatregel in dit geval in duur is gemaximeerd in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken