HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434

Cassatie in het belang der wet. Artt. 37a, 37b, 38d en 38e Sr en art. 359 Sv. Verlenging terbeschikkingstelling (TBS). HR haalt de wetsgeschiedenis van art. 38e Sr en art. 359.7 Sv aan en citeert uit de uitspraak van het EHRM van 31 juli 2012, Van der Velden tegen Nederland, LJN: BX9093. De HR verstaat EHRM LJN: BX9093 aldus dat aan de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om vrijheidsberoving te kunnen aanmerken als rechtmatig i.d.z.v. art. 5.1 EVRM, duidelijk moeten zijn omschreven en de wijze waarop zij worden toegepast in redelijkheid voorzienbaar moet zijn. Dat brengt mee dat in gevallen als het onderhavige het oordeel van de opleggingsrechter over de vraag of de TBS is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf, beslissend is voor de vraag of de maatregel o.g.v. artt. 38d en 38e Sr vatbaar is voor verlenging. De verlengingsrechter zal in de regel betrekkelijk eenvoudig kunnen vaststellen of de opleggingsrechter de TBS heeft gemaximeerd, indien de opleggingsrechter in zijn motivering van de opgelegde TBS tot uitdrukking heeft gebracht dat de maatregel wel of niet t.z.v. een geweldsmisdrijf is opgelegd. Dit is vooral van belang indien het misdrijf niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als geweldsmisdrijf, zoals bij bedreiging of belaging ter zake waarvan o.g.v. art. 37a.1 onder 1 Sr TBS kan worden opgelegd. De enkele omstandigheid dat de opleggingsrechter in zijn motivering niet met zoveel woorden heeft vermeld dat de TBS is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf, brengt echter nog niet mee dat de maatregel niet meer voor verlenging vatbaar is indien haar totale duur een periode van vier jaar te boven gaat. Of de TBS is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf kan ook worden afgeleid uit de overige inhoud van de einduitspraak van de opleggingsrechter. Als op grond daarvan evident is dat sprake is van een geweldsmisdrijf, kan niet worden gezegd dat de mogelijkheid van verlenging na vier jaar voor de terbeschikkinggestelde niet voorzienbaar was. De opvatting van het Hof dat het, afgezien van gevallen als vorenbedoeld, niet aan de verlengingsrechter is “door interpretatie van de uitspraak van de opleggingsrechter” alsnog vast te stellen of de TBS al dan niet is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf, vindt geen steun in EHRM LJN: BX9033 en kan niet als juist worden aanvaard. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de verlengingsrechter mede o.g.v. andere dan in de einduitspraak vermelde gegevens door interpretatie van het oordeel van de opleggingsrechter tot het oordeel komt dat de TBS is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf, terwijl ook niet kan worden uitgesloten dat andere processtukken waarover de opleggingsrechter beschikte, daaromtrent uitsluitsel geven. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de verlengingsrechter het oordeel dat sprake was van een geweldsmisdrijf, besloten kan achten in de einduitspraak van de opleggingsrechter. In gevallen als het onderhavige, waarin bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is bewezenverklaard, komt het hierop aan, dat het oordeel van de verlengingsrechter dat de TBS destijds is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf in redelijkheid voorzienbaar moet zijn en dus voor de terbeschikkinggestelde niet als een verrassing komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen