Hof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7246

7:18, vierde lid, Awb. Toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. Beroepsgronden. De betrokkene vroeg de officier van justitie tweemaal om de “onderliggende stukken” en een termijn voor het aanvoeren van gronden. De betrokkene kan niet anders hebben bedoeld dan “de op de zaak betrekking hebbende stukken” als bedoeld in 7:18, vierde lid, Awb. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten. De officier van justitie heeft er niet voor gezorgd dat de betrokkene het zaakoverzicht kreeg teneinde de grond van het beroep aan te kunnen voeren. De officier van justitie heeft niet gehandeld in overeenstemming met 7:18, vierde lid, Awb en heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken