Hof Amsterdam 6 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3598
Verzoek om herziening van de beslissing van de notariële tuchtkamer van dit hof van 12 mei 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:1737). De onder 6.4. vermelde feiten zijn in het bijzonder van betekenis voor de waardering van het vertrouwen dat de notaris kennelijk had dat klager de transacties, die in de op 29 december 2009 te passeren akten waren vastgelegd, kon overzien. Deze feiten zijn verder van belang bij de weging hoe zwaar het de notaris moet worden aangerekend indien hij te lichtvaardig erop heeft vertrouwd dat klager die transacties kon overzien en dat hij was voorzien van deskundige bijstand, zonder zich ervan te vergewissen dat dit ook daadwerkelijk het geval was. De feiten, die eerst in de civiele procedure naar voren zijn gekomen, hadden daarom in de tuchtprocedure, indien bij het hof bekend, tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof zou hebben onderzocht of deze feiten aan de gegrondverklaring van de klachten in de weg zou hebben gestaan en welke betekenis daaraan toekwam voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van het handelen van de notaris, alvorens tot het opleggen van de zwaarste maatregel over te gaan, te meer nu de kamer in eerste aanleg met het opleggen van lichtere maatregelen had volstaan. Het hof verklaart het verzoek om herziening gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl