Hof Amsterdam 21 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6394

Als uitgangspunt geldt dat de Wet op het notarisambt (verder Wna) geen bepalingen kent op grond waarvan herziening van een ingevolge deze wet door de tuchtrechter gegeven onherroepelijke beslissing kan worden verzocht. Het hof is echter van oordeel dat herziening in het notarieel tuchtrecht, dat naar zijn aard ook burgerrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke elementen in zich heeft, in bijzondere gevallen, overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht, niettemin toelaatbaar is. Daarom wordt de mogelijkheid van het inroepen van dit rechtsmiddel ook in het notariële tuchtrecht aanvaard, met inachtneming van het navolgende. De notariële tuchtrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden beslissing herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. ingeval zij bij de tuchtrechter vóór de uitspraak bekend zouden zijn geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Deze vereisten zijn cumulatief. Daarnaast geldt dat de beslissing in kracht van gewijsde moet zijn gegaan en voorts dat het verzoek tot herziening dient te worden gedaan binnen een redelijke termijn na het bekend worden bij verzoeker van de (nieuwe) feiten of omstandigheden, terwijl het verzoek eveneens zal moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 107 lid 2 Wna.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen