Hof Amsterdam 29 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3788

De kamer heeft de ordemaatregel gegeven door de voorzitter van de kamer (op de voet van artikel 106 van de Wet op het notarisambt) bij diens beslissing, waarbij de notaris de toegang tot zijn kantoor is ontzegd gedurende de tijd dat hij in de uitoefening van zijn ambt is geschorst, behoudens de toegang die hem door de waarnemend notaris zal worden verleend, bekrachtigd. Het hof is van oordeel dat het BFT geen partij is bij deze procedure. Voort is het hof van oordeel dat sprake is van een klacht tegen de notaris van zeer ernstige aard, dat het door de voorzitter uitgesproken ernstig vermoeden ten aanzien van de gegrondheid van de klacht van het BFT nog onverkort aan de orde is en dat de notaris de hem verweten onttrekkingen niet heeft betwist. Het door de notaris aangevoerde ondernemingsbelang kan niet leiden tot de afwijzing van de gevraagde bekrachtiging. Wel dient echter rekening te worden gehouden met het belang van de notaris als ondernemer ten aanzien van het draaiende houden van het notariskantoor als onderneming. Hierbij is van belang dat de notarispraktijk is ondergebracht in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de notaris de bestuurder is. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kamer, met dien verstande evenwel dat aan een nader te benoemen persoon, als vertegenwoordiger van de notaris, toegang tot het notariskantoor dient te worden verschaft en wel om de belangen van de notaris als bestuurder van zijn besloten vennootschap te waarborgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken