Hof Amsterdam 13 november 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:4355

Hof verwerpt verweer dat BFT niet-ontvankelijk is, omdat klacht niet zou worden ingediend als gerechtsdeurwaarder zich aan een aantal voorwaarden zou houden. Zo al van een toezegging van de zijde van het BFT kan worden gesproken, kan de gerechtsdeurwaarder zich daarop niet beroepen. Hij heeft immers aan een aantal van de door het BFT gestelde voorwaarden niet, dan wel niet binnen de gestelde termijnen voldaan. De stelling dat het slechts om een beperkte termijnoverschrijding gaat maakt dat niet anders, nu de termijnen juist waren gesteld omdat de gerechtsdeurwaarder reeds geruime tijd niet aan zijn verplichtingen had voldaan. Met de kamer is het hof van oordeel dat uit het feit dat de gerechtsdeurwaarder niet in staat is om tijdig zijn jaarstukken over te leggen reeds volgt dat zijn rechten en verplichtingen niet op eenvoudige wijze kunnen worden gekend. De gerechtsdeurwaarder heeft ook niet ontkend dat de gebreken in de financiële administratie (nog) niet allemaal zijn opgelost. In strijd met het bepaalde in artikel 19 Gdw en artikel 5 Avg hebben op diverse momenten in 2010 en 2011 aanzienlijke bewaringstekorten bestaan. Betaling van kantoor- en privékosten van de kwaliteitsrekening acht het hof laakbaar. Het moet de gerechtsdeurwaarder genoegzaam bekend zijn dat de kwaliteitsrekening een beschermde rekening is waarvan hij geen gebruik dient te maken anders dan voor het bewaren van de bedragen die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt. Dat de gewraakte betalingen geen nadelig effect op de bewaringspositie hebben gehad, is, zo al juist, niet relevant. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden van het geval, in het bijzonder het feit dat aan de gerechtsdeurwaarder eerder een maatregel is opgelegd voor een soortgelijk feit, is het hof met de kamer van oordeel dat de maatregel van ontzetting passend en geboden is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen